Selecteer een pagina

Ik slaap al maanden niet en raak steeds meer de tel kwijt. Van hoelang al, van de dagen, van de seizoenen, van de uren.
Elke ochtend word ik nog voordat het buiten licht is mijn bed uitgeduwd. Een kwartier later ren ik door kille ochtendnevel, terwijl naar school fietsende kinderen me tegemoet komen. Sommigen lijken wel rijdende kerstbomen, zo veilig reflecterend en verlicht zijn ze. Af en toe roept een jongen ‘hoi’ of glimlacht een meisje. Ik glimlach terug, voel mijn vermoeide ogen trekken.
Rond mijn linkerbovenarm draag ik kleine rode lampjes als een gewaagde tatoeage; het hartje op mijn pols knippert al snel richting 160. Wolkjes uit mijn mond, in mijn hoofd het eeuwig gekmakende geraas.
Onderweg word ik gegroet door drie hondenwandelaars, wij kennen elkaar elke week wat beter. Er is de grote slanke man in het zwart (die soms ook loopt, zonder hond), er is de man met het door een capuchon omlijste vriendelijke gezicht, en er is de iets stuggere man die lijkt op een jonge Carry Goossens. Hun honden zijn alle drie blond en mooi en stil. Wat mij betreft kon het dezelfde zijn.
Halverwege de doodlopende straat keer ik om. Het ruikt er altijd naar look.

Niet alleen de tel raak ik kwijt, maar ook woorden. Zinnen samenstellen, zowel gesproken als geschreven, duurt lang. Wanneer ik iets wil zeggen, zie ik mijn man zijn best doen om zijn ongeduld te bedwingen. En alles wat zo noodzakelijk wil geschreven worden, hoopt zich op in mij, als een verontrustende constipatie in het brein.
Vrienden proberen me te bereiken, maar ik ben te moe. Zelfs om bij te houden wie nog een reactie behoeft. En dan dat hoofd op mijn romp dat niet meer het mijne is.
Iemand zegt: zo weinig slapen, ik zou dat niet aankunnen. Ik denk: ik ook niet, nee. Ik kan dat ook niet aan. (Maar wat moet ik dan?)
Iemand anders zegt: dat is toch niet normaal? Ik denk: ‘normaal’ is een rekbaar begrip.
Nog iemand anders zegt: het zit in je hoofd, maar dat weet jij ook wel, ik wou dat ik iets voor je kon doen.
En weer iemand anders: vreselijk, dat zal vast niet makkelijk zijn.

En toch is er een lichaam dat verdergaat, alsof er niets aan de hand is. De ballast van het hoofd botweg achtergelaten. Het lichaam dat rent, boodschappen doet, het huishouden, vele kilometers wandelt.
De ochtenden dat ik niet loop, wandel ik. Vaak samen met mijn man. Soms begin ik onderweg te huilen, wanneer ik vertel over weer zo’n nacht. Gewoon even kort, hoe het is gegaan (hoe vaak mijn blaas me het bed uit dwong, hoe een paniekaanval me overviel, hoe ik heb gestreden tegen het stukje slaappil, hoe een flard nachtmerrie tegen de ochtend aan nog even met me kwam spotten), en dan spoel ik zo de nacht uit me weg. En wanneer we dan weer thuiskomen, kan de dag beginnen en verdwijn ik in de douche en hij in zijn werkkamer, met koffie.
Tijdens een van die wandelingen kijk ik plots op en herken de omgeving niet. We zijn nochtans dicht bij huis en komen hier elke dag. Ik zeg: ik kan niet meer, ik heb hulp nodig. Hij antwoordt: ik help je wel. Maar ik weet dat hij niet weet hoe.

Een paar mensen die ik ken zijn dood aan het gaan. Een van hen had het over een kist, voor over enkele dagen, en ik probeer me voor te stellen hoe dat zou zijn, weten dat dit lichaam binnenkort in een kist onder de grond ligt, voor altijd, maar het lukt me niet.
Ik kijk naar mijn arm en uit mijn rode mouw komt een hand die niet van mij is. Een klein moedervlekje, blauwe aders onder het vel. Slanke vingers, een smalle pols, zonder veel moeite te breken. Plots dringt tot me door: er is geen andere weg dan richting dood. Ik moet denken aan toen ik zes maanden zwanger was en een uur lang panikeerde toen ik me realiseerde dat er geen andere weg voor de baby was dan geboren worden. Dit voelt hetzelfde.
Ik probeer me voor te stellen hoe vlammen over, doorheen dit alles tekeer zullen gaan, maar ook daar slaag ik niet in.
Pas nog las ik in een boek dat een begraven lichaam niet rot, maar uiteenvalt tot stof, en dat vind ik makkelijker te aanvaarden. Ik besefte dat het beeld dat ik al dertig jaar heb van mijn grootmoeder onder de grond, niet klopt. Er is geen bloemetjesslaapkleed meer, misschien niet eens een kist. Er zijn een schedel en botten en stof, en misschien, wie weet, nog een restje paternoster.