Selecteer een pagina

Een vriend zei me onlangs: ‘Deze toestand vind ik eigenlijk wel fijn. Omdat iedereen nu gedwongen wordt tot mijn tempo. Ik voel me niet meer achtergelaten.’

Nu ik weer deftig slaap, droom en wakker word, ben ik op alle vlakken bezig met een inhaalbeweging. Ik word uitgeslapen wakker rond half zeven, mediteer een kwartier en stretch daarna mijn hele lichaam op mijn yogamat. Benen, knieën, rug, schouders, ik plooi ze alle kanten op; zo ver heb ik ze nooit uitgedaagd in mijn hele jongere leven. Zelfs van de child’s pose, waarin volgens mijn yogalerares alle baby’s liggen, kan ik me niet voorstellen daar ooit aan te hebben meegedaan. Na een afsluitend minutenlang ondersteboven hangen, kom ik vlot en zonder duizelen weer rechtop, poets mijn tanden, doe mijn lenzen in, trek mijn loopschoenen aan en ren de oprit af, de lage ochtendzon in. Mijn man draait zich nog eens om, weet vaak niet eens dat ik het huis heb verlaten.
De straten zijn zo stil, ik hoor alleen de plofjes van mijn voeten. Straks begin ik aan de tweede helft van mijn leven.

In een droom zit ik in een ziekenhuis voor de psychiater die me jarenlang begeleidde bij mijn chronische vermoeidheid en falende lichaam. Hij draagt een wit kapje voor zijn neus en mond, tekent mijn hoofd op een blad papier, trekt krassen door de schedel. Zijn woorden hoor ik slecht; door het masker, en door de kinderen die in een aangrenzende kamer joelen. Maar ik begrijp wat hij wil zeggen. Wat hij wil doen. Omdat mijn toestand zo hopeloos is, mompelt hij, zal hij in mijn hersenen snijden. Niets aan te doen. Ik protesteer, zeg dat ik me net goèd voel, dat ik genezen ben. Maar hij is zeker van zijn zaak. Ik moet steeds weer ‘wablief?’ vragen, leg uit dat ik zo’n moeite heb met het omgevingsgeluid, en dat er niets mis is met mijn gehoor. En nee, ik tril niet, kijk maar. Ik steek mijn rustige hand voor me uit over het bureau, en van boosheid beginnen mijn vingers te trillen. Alles in mij maakt zich klaar om weg te rennen. Ik heb geoefend.

Mijn man en ik wandelen tijdens een van onze tochten door een rustige wijk. We stappen een hoek om en in het stille straatbeeld staat daar een ambulance met een blauw zwaaiend licht. Wat verderop nog een ziekenwagen, en aan de overkant een derde. Op het donkergroene lentegras van een voortuin staan enkele mensen in gele pakken met doorzichtige schermen voor het gezicht. Ze zijn bezig met hun laatste voorbereidingen, om dadelijk door de al openstaande voordeur naar binnen te gaan. Niemand zegt iets, het blauwe licht draait stom zijn rondjes. Alles is zo stil, dat het lijkt alsof het geluid in mijn oren werd uitgedraaid. Wij stappen zwijgend verder, tussen de wagens door, alsof er niets aan de hand is. Nauwelijks verschil met wat we zien op tv. Maar vanbinnen ben ik geschrokken.

Op Messenger maakt een onbekende zich in een lang bericht druk over het feit dat ik niet reageerde op zijn ‘hey’, nadat een eerdere poging tot conversatie een natuurlijke dood stierf. Mijn eerlijke uitleg dat ik bij ‘hey’ geen inspiratie voel opkomen, wordt niet aanvaard. Ik kan tenminste toch wat moeite doen om een gesprek met hem aan te gaan? Ik mag door mijn onverschilligheid toch niet voor bevestiging zorgen dat facebook niet deugt? En hoe zou hij in godsnaam dingen kunnen verzinnen waarvan hij zou kunnen vermoeden dat ze mij tot conversatie zouden kunnen aansporen? Waarom heb ik hem voor schut gezet door niet op zijn hey te reageren? Hoe kan hij anders kennismaken dan door een beleefde hey? Waarom doe ik toch zo moeilijk?
Wanneer ik deze vermoeiende man uit mijn vriendenlijst wil verwijderen, merk ik dat hij dat zelf al heeft gedaan. Zonder beleefd afscheid te nemen.