Selecteer een pagina

We hebben zo nu en dan nog wel eens getelefoneerd, maar de laatste keer dat we elkaar zagen, was acht jaar geleden. Toen mocht ik een groot verjaardagsfeest geven in zijn riante tuin.
Er was een tijd dat ik vaak bij hem logeerde, wanneer ik er behoefte aan had de drukte van de stad waar ik woonde te ontvluchten. Soms enkele dagen, soms wel een week of langer. Zijn huis, zijn tuin, hijzelf straalden rust uit.
En toen leerde ik iemand kennen, ging samenwonen, en hij ontmoette enige tijd daarna een vrouw, trouwde, kreeg een kind. Telkens hij me belde was er weer iets ingrijpends in zijn leven veranderd. Een leven waarbij hij me om een of andere reden niet betrok. (Tot vandaag heb ik noch zijn vrouw, noch zijn inmiddels driejarige dochtertje ontmoet. Wie weet bestaan ze niet eens. Het zou me niet verbazen van hem.)

Vanavond ontmoeten we elkaar op de plaats waar we voor het eerst met elkaar hadden afgesproken, op een zomeravond zo’n vijftien jaar geleden. Niet meer op de bank naast de vijver vol kwakende kikkers, maar in het restaurant vlakbij. Het is voor ons beiden onduidelijk of we destijds ook in dat restaurant hebben gegeten. We hebben er alleszins de schilderijen in de gang bewonderd, dat weet ik nog wèl. Ik had het gevoel dat we er ook gegeten hadden, maar dat klopt dan niet met de herinnering aan die uren op de bank, tot ver in de duisternis, toen alleen nog het gekwaak te horen was.

We eten buiten. Het weer van deze late septemberdag laat dat nog net toe. We herinneren ons nog hoe belangrijk we het allebei vinden een plaats uit te kiezen die goed aanvoelt.
Ik vraag hem: hier?, en hij zegt: ja. Zo ging het altijd; ik was altijd de dominante in deze vriendschap. Dat gaat vanzelf omdat hij zoveel ruimte laat en liever voelt dan spreekt. Wat openstaat, neem ik in.
Ik vraag hem naar zijn broers. Ze leken al altijd elk uit een ander gezin te komen. Dat maakte ik toch op uit zijn verhalen, want ik had maar één van hen ontmoet. Hij schetst kort hun levens zoals ze er nu uitzien, besluit met de jongste van de vijf: ‘Dat is de enige waarover eigenlijk niets te vertellen valt, de enige die alles op een rij heeft.’ Hij lacht. Ik denk er pas de volgende dag aan dat ik hem had willen vragen wat er bij hèm dan niet in de rij staat. Misschien weet ik dat wel, maar ziet hij het anders.

Een jongen zet twee vierkante minibordjes voor ons neer. Hij zegt: dit zijn de hapjes, en is snel weer weg.
Ik vraag F: wat is dit? Hij antwoordt met zijn mysterieuze glimlach: de hapjes.
Dus eten we braaf de inhoud op en gokken: zalm, tonijn, rauwe ui, en nog iets groens.
Hij vraagt me naar mijn ouders. Zijn ogen worden groter en groter, zijn mond valt open. Ook al was hij al wel op de hoogte van vroeger. Hij zegt: jij bent daar wel erg goed uitgekomen. Ik antwoord: ja en nee. Hij stelt voor: kom, we gaan je moeder halen. Ik schud heftig nee. Hij lacht zijn alles-kan-lachje.
Ik heb spijt van de gamba’s die ik bestelde, want ik wil mij niet bezighouden met dat geknoei tussen kop en staart, en er volgt geen beloning want ze zijn vrij smakeloos. Het garnituur bestaat voor een deel uit minilimoentjes, een en al schil dus oneetbaar, en warme minitomaatjes en snippers groen. Die zijn wel lekker. Wanneer de borden worden afgeruimd, zie ik dat in dat van F enkel nog twee staarten en twee koppen liggen. Mijn bord ziet er quasi onaangeroerd uit.
F’s telefoon biept voor de zoveelste keer. Zijn vrouw. Ze is ongerust, zegt hij. Ik vraag: maar weet ze dan niet waar je bent? Toch wel, zegt hij. Ze is gewoon ongerust. Alsof het om een karaktertrek gaat. Hij probeert haar te bellen, er wordt niet opgenomen. Even later nog een keer. Ze doet dit altijd als ik niet bij haar ben, zegt hij. Hij haalt zijn schouders op, meer dan die paar belpogingen valt er niet te doen.
De parelhoen valt beter in de smaak. Wat is dit? vraag ik, wijzend naar de bruine korrels. Tarwe, zegt hij. Ik denk niet dat ik al eerder tarwe zag.

Plots is het donker en zijn wij nog de enige gasten. Alsof dit zonder overgang gebeurde. Alsof de schemering werd overgeslagen en de andere gasten niet van hun tafels zijn opgestaan en weggegaan, maar gewoon zijn opgelost. De weelderige boomkruin boven ons hangt daar stil in het gele licht van een lantaarn. Het is fris geworden, ik trek een jasje aan. Mijn voeten liggen koud in hun sandalen. Het dessert komt eraan: aardbeien met appelstroop, munt, aardbeienijs en notencrumble. F’s telefoon biept. Hij kijkt er niet eens meer naar.
Ik vertel tussen de happen door over wat mij het meest bezighoudt deze dagen, verknoei daarmee enigszins de lekkere smaken, maar zeg toch, middenin mijn verhaal: zo lekker, die munt! Ik slik mijn tranen tesamen met het ijs weg.

Na de koffie staan we op, willen ons even warmwandelen nog. We slaan het pad in naar de bank en vijver van vijftien jaar geleden. Het is zo smal dat we achter elkaar moeten lopen. Het is er donker, ik zet de zaklamp van mijn telefoon aan, richt die op het grindspoor vòòr mij. F volgt.
Ik zeg: ik heb dit gemist, de manier waarop wij met elkaar praten. Dit doe ik met niemand anders zo. Hij antwoordt: naar mijn gevoel is dat nooit weggeweest.
We halen herinneringen op. Hoe we ons in zijn woonkamer als kinderen ruggelings lieten vallen op de hoge stapel futons die hij had gemaakt voor enkele klanten. Hoe dat alleen ging door los te laten. En wat een fijn gevoel dat gaf. Net omdat we het als volwassenen deden, en het daarom niet meer vanzelfsprekend was. En we lachen om de rare gewoonte die hij had om mensen die voor het eerst bij hem thuis kwamen over de smalle balk te laten lopen die over de vijver in zijn tuin lag. Als een soort van welkomstritueel. En hoe iedereen dat ook dééd, met gespreide armen, en blij de overkant bereikte.
De balk is weg nu, zegt hij. Dat vind ik jammer. Ik moet er zelf ook overheen gelopen zijn, maar kan me dat niet herinneren. Net zoals hij me vertelt dat hij me een keer laat op een avond tegenkwam in de stad waar ik pas naartoe was verhuisd en waar hij toen bij een van zijn broers logeerde. Hij zat in de auto, ik op de fiets met aan het stuur een grote plastic zak met daarin een donsdeken. En hoe ik moeite had met balanceren, en dat het ook nog eens koud was en glad, maar ik toch zijn aanbod afsloeg me verder mee te nemen met de auto. Die tocht met het donsdeken herinner ik me, ik was op weg naar een vriend waar ik zou blijven overnachten, maar niet dat ik F zag die avond. Zo raar vind ik dat, zo’n geamputeerde herinnering.

Wanneer we ter hoogte van de vijver moeten zijn, richt ik mijn zaklamp opzij, maar er is geen vijver te zien, noch gekwaak te horen. Er is enkel een wei van lisdodde, misschien zit daaronder water. Voor één keer zet geen van ons beiden een voet van het pad.
F probeert zijn vrouw een laatste keer te bereiken, ditmaal met mijn telefoon; ik ben mijn zaklamp kwijt en we zetten onze weg verder in het donker. Er is enkel een nauwelijks waarneembaar spoor van grind. Ik hoor hem een bericht inspreken.
Dan brengt hij me naar huis in zijn auto. Daar maakt mijn man koffie voor hem om het weer warm te krijgen. Ik hoor ze met elkaar praten en hoe dat verschilt van hoe F en ik met elkaar praten. F wordt zwijgzaam, zit daar op zijn sokken met de koffiekop in zijn handen tussen mijn man en mij. Ze hebben het over werk, auto’s, huizen. Deze F is niet iemand die mijn man zou vragen over zijn vijver heen te stappen.

 

(Het grindpad naast de verdwenen vijver, één jaar later, bij ochtendlicht.)

BewarenBewaren

BewarenBewaren