Selecteer een pagina

“In de huizen wordt de tafel gedekt, mokken mensen op elkaar, wordt in kopjes geroerd, leven de bewoners langs elkaar heen, ieder met zijn lustjes en zijn lastjes, zijn er momenten van diepe huiselijke vrede en verstoffen de gordijnen.
De een wil zich in een ontboezeming uitstorten, de ander verheugt zich over zijn beschuit met hagelslag.
Meneer Wittenbrants heeft me de weg gewezen, als hellebaardier en als zeepfabrikant. Zijn vingers glijden naar de bovenkant van een nieuw stuk zeep, glad als de heupen van een meisje van elf. Hij betast de zeep omzichtig, uiterst langzaam, alsof hij elk millimetertje in de vezels van zijn vingertoppen wil opslaan. Uitgespaard in een ovaal staat in diepdruk ‘Wittenbrants’ en ‘Zeepziederij anno 1852’. O, als hij de letters voelt, als zijn wijsvinger langs de ‘W’, de ‘i’, een ‘t’ en nog een ‘t’, een ‘e’, de ‘n’, de vaag voelbare ‘b’, de ‘r’, een ‘a’, de tweede ‘n’, de derde ‘t’ en de ‘s’ strijkt, een muisstil laatste nootje na een daverend basakkoord, maar zijn vinger streelt door, daar is de ‘Z’, verder, verder, hij heeft zich niet meer in bedwang, ‘ziederij’, hij zou het zeepje kunnen verschalken, en ‘anno’, ja het is waar, ‘anno 1852’, zijn zeepfabriek gaat terug tot 1852.
Erica was de dochter van meneer Wittenbrants.
Erica had bruine ogen en een fijn gesneden gezicht en als ze lachte – ze lachte haar lach van belletjes vaak – een kuiltje in de punt van de kin.
Een tuin van bloemen waar zij zich bewoog. Een klaverweide als de avond valt en de welriekende nachtorchis haar aroma verspreidt. Een af en aan van bijen. Guldenroede, walstro, rolklaver, kattenstaart, fluitenkruid, nectar, korrels stuifmeel.
Haar kus was als haar lach als een belletje van glas.”