Selecteer een pagina

Het was een week vol huilen en paniek en roffelend hart. Van gevaar op de fiets en ziek voelen en duizeligheid en knobbels in de keel. Ik heb een nacht in het zakje van de druiven zitten ademen, en gedacht: ik moet naar de dokter, ik kan niet meer.
Maar de consultatie-uren waren allemaal ingenomen en toen stapte ik maar naar de apotheek voor een flesje druppels die beloofden te kalmeren, de bloeddruk te verlagen en in te slapen.
Of ze werken is me, na vier avondinnames, nog steeds niet duidelijk. Ik was ook al eens de hele nacht wakker.
Donderdagnacht leek ik er een beetje overheen, het verstoorde ritme. Ik sliep deftig, probeerde de wellicht-de-enige-fatsoenlijke-nacht-voor-alweer-een-lawaaiweekend-gedachten van me af te duwen. Dat het vorige week zo ging, wil niet zeggen dat het nu ook zo zal zijn, sprak ik flink.
Maar. Ach. Om klokslag twintig over negen – ik zocht wat verstrooiing in ‘The Voice’; boeken lezen lukt allang niet meer – werd het buurhuis bestormd. En vervolgens de living verbouwd. Van trappen gesprongen, met deuren gekletst. Ons huis rilde, mijn hartslag schoot de hoogte in.
Mijn man had het kabaal tot in de hoogste punt van ons huis gehoord en kwam me in zijn armen nemen. Ik zei: het is een machtsstrijd geworden, hij wil ons zeggen: ik leef zo luid als ik wil.
Hij suste: maar nee. Maar ik hoorde de twijfel.
We gingen in bed liggen in de verst afgelegen kamer, het was al laat, hij drukte me stevig tegen zich aan. Hij vertelde over de film die hij zonet had gezien, ik over het boek dat ik poogde te lezen. Zo probeerden we enige afleiding te zoeken. Rond half twee werd het eindelijk stil, maar er was geen garantie dat het stil zou blijven. Ik wou proberen te slapen in een opgespannen lijf, en nam mijn druppels en een stevig stuk slaappil.
Ik huilde nog even: ik weet niet hoe ik dit moet benaderen, alles zit muurvast. Hij zei: ik zie hoe je je best doet, hoe moedig je alles wat je de laatste tijd overkomt tegemoet gaat, en ik weet hoe moeilijk het is en snap je frustratie, maar je doet het zo goed, je hebt het zo goed gedaan deze week. Ook hieraan komt wel weer een eind.
Ik antwoordde dat ik niet wist of ik dat einde wel zou halen. Dat ik het gevoel had op een opname af te stevenen, en – snikte ik – dan was het einde helemààl zoek, want in een ziekenhuis met al zijn geluiden en drukte zou ik òòk niet slapen.
En toen zag ik iets positiefs hierin, namelijk hoe deze ellende hem en mij dichter bij elkaar bracht, en uiteindelijk moet ik toch zijn ingeslapen.