Selecteer een pagina

Woensdagochtend stond mijn schoonvader op met koorts. Al snel volgden hoest en kortademigheid. Tijdens het van de slaapkamer naar de woonkamer stappen, zakte hij door zijn benen. De huisarts werd gebeld, over de telefoon werd de diagnose van coronavirusbesmetting gesteld.
Vorige week was mijn schoonmoeder ‘een beetje verkouden’ geweest. Ze hadden nochtans beiden goed de ons allen opgelegde maatregelen gevolgd.
Een ziekenhuisopname was voorlopig niet nodig, maar mocht hij nog een keer door de benen gaan, dan zou mijn schoonmoeder haar man wel naar de spoeddienst brengen, liet ze ons weten. Hij sliep veel die dag, kreeg iets koortswerends en een hoestsiroop.
De volgende ochtend voelde hij zich veel beter. Koorts en benauwdheid waren weg, het hoesten fel verminderd. Hij was alleen nog moe. Erg moe. Die donderdag bracht hij door in bed, soms wat tv kijkend, afgewisseld met slaap. Mijn man en ik haalden opgelucht adem.
We besloten vroeg te gaan slapen die avond, waren allebei moe, zeiden tegen elkaar: dat is toch weer een zorg minder.

We lagen nog geen half uur in bed of mijn mans telefoon, die beneden in de woonkamer lag, begon luid van zich te laten horen. Keer op keer. Een opdringerige beller om half elf ‘s avonds, dat is geen goed teken, maar ik dacht een beetje geïrriteerd: iemand van zijn werk. Niet zo’n logische gedachte, maar soms zijn die nu eenmaal prettiger.
Mijn man bleef een hele tijd beneden, ik hoorde hem praten, maar kon niets verstaan. En toen kwam hij de kamer binnen: dat was mijn broer, mijn vader is overleden.
Mijn mond viel open. Hoe kan dat nu? Hij was toch beter?
Dat was hij inderdaad. Hij had die dag vlot gepraat, gegeten, tv gekeken. En veel gerust. Een half uur voordat ze hem zijn avondmedicatie ging geven, had mijn schoonmoeder hem nog naar het toilet horen gaan.
En toen kwam ze zijn kamer binnen met de hoestsiroop, en daar lag hij dood in bed. Al helemaal koud.

Terwijl mijn man vertelt, voel ik hoe ook mijn voeten koud worden. De kou kruipt verder langs mijn benen en ruggengraat omhoog. Ik begin te beven. Mijn man gaat een kersenpitkussentje opwarmen, mijn ‘dat zal ik wel doen’ negerend, het lijkt nog niet tot hem door te dringen. Ik had ook zijn woord ‘overleden’ opgemerkt, in de plaats van het gebruikelijkere ‘gestorven’. Om afstand te scheppen tot toelaten, dacht ik in een flits.
En dan zondert hij zich af om zijn moeder te bellen. Ik stel me haar voor zoals ze daar nu zit: alleen in hun, opeens haar appartement. Niemand om haar in de armen te nemen, deftig te troosten. Alleen ook met de schok haar man, met wie ze het grootste deel van haar leven samen was, dag in dag uit, op die manier te vinden. De machteloosheid van haar twee zonen nu. Ik moet huilen.

Mijn schoonvader had geen kans. Hij was niet ziek genoeg om naar het ziekenhuis te moeten. Hij was aan de beterhand! En ook al was hij 78, net geworden, toch had hij een gezond en fit lichaam. Geen onderliggende kwalen, geen risicopatiënt. Dat het ook zò kan gaan, zonder een voorafgaande worsteling aan een beademingstoestel, maakt me bang. Ook al is het dan beter voor mijn schoonvader dat hij wellicht niet heeft afgezien.

Mijn man komt weer de slaapkamer binnen, hij heeft zijn moeder gesproken. Ze is een sterke vrouw, maar ook sterke vrouwen kunnen in nachtmerries terechtkomen. Dadelijk komen ze haar man halen, zei ze. Ik stel me een paar stevig ingepakte mannen met zak en brancard voor die vanonder enkele maskers kort en zakelijk hun medeleven betuigen. En hoe zij daarna alleen achterblijft. Ik kan niet stoppen met rillen.

De volgende ochtend, we zijn dan vrijdag, belt mijn man zijn moeder opnieuw op. Ze heeft de hele nacht op de zetel in de woonkamer doorgebracht, zegt ze, maar niet geslapen. De mannen die haar man kwamen halen, hadden alle lakens van zijn bed getrokken, en die in de andere slaapkamer op de grond gegooid. In die kamer had zij de laatste nachten geslapen, maar dat ging nu ook niet meer.
Ze houdt zich kranig, zoals we van haar gewend zijn. Ze trekt zich wat op aan de talrijke telefoontjes die ze krijgt nu, en in het appartementsgebouw komen mensen soep aan haar deur zetten.
Even later hoor ik mijn man zitten sniffen achter zijn piano. Mijn man die nooit huilt. Ik ga naar hem toe om hem te omhelzen, maar dat wil hij niet, want hij heeft een beetje een schorre keel, zegt hij. Met een gezonde vader die op twee dagen tijd weg is, kan je niets meer vertrouwen en is het nergens nog veilig.
Ik kom even bij je zitten, zegt mijn man. Daar zitten we dan in de woonkamer, met enkele meters zetel tussen ons in. Hij met een grauw gezicht en vochtige ogen, ik met meer tranen, die ik toch nog zo goed als het kan probeer in te houden, want ik moet nu de sterkere zijn. Niet doen, zegt hij, hou je niet in. Laat je verdriet eruit als het dat wil. Maar toch voelt dat niet juist.
Ik zeg met onvaste stem: mocht er een hemel bestaan, dan hoop ik voor je vader dat hij er Miracolispaghetti kan eten. We schieten in de lach. We hadden de gewoonte hem uit te lachen met zijn voorkeur voor spaghettisaus uit een bokaal, boven degene die mijn man maakte, en waar de rest van de familie gek op was.
Na een wandeling in de buurt voelen we ons weer beter.

Volgende vrijdag is de uitvaartplechtigheid. Dan mag mijn schoonmoeder ook uit haar quarantaine.
Gisteren mocht de broer van mijn man, die daar in de buurt woont, even bij zijn moeder in het appartement. Van top tot teen in beschermende kledij, zijn gezicht onder een masker. Bij thuiskomst verplicht meteen zijn kleren wassen. Ze hebben even met elkaar gepraat, elk aan een andere kant van de kamer. Ik heb zo met mijn schoonmoeder te doen …
De plechtigheid zal plaatsvinden in een aula van de begrafenisondernemer. Met zeven stoelen ver van elkaar verwijderd. Een voor de weduwe, twee voor de zonen, twee voor de schoondochters, twee voor de kleinkinderen. Het lichaam zal dan al gecremeerd zijn. Als we woorden van troost kwijt willen, zullen we die naar elkaar moeten roepen. Aanrakingen kunnen uiteraard niet. Wie huilt, zal dat in zijn eentje doen. Na de dienst meteen naar huis.
Ik ben bang om er naartoe te gaan, maar aangezien we op drie kwartier rijden wonen, is het niet eens zeker of we dat wel zullen mogen …