Selecteer een pagina

Een rode auto komt een zijstraat uitgevlogen en stopt met piepende banden vlak voor mijn fiets. Ik reed op de hoofdweg en had voorrang, maar omdat ik de auto had zien en horen aankomen, ben ik toch maar gestopt. Achter het stuur zit een jonge kerel, die duidelijk geen idee heeft van het potentiële moordwapen waarin hij zich bevindt, noch van het onveilige gevoel dat hij de zwakke weggebruiker bezorgt. Ik moet de straat in waar hij uitkomt en kijk hem boos aan. Hij schudt zijn hoofd van ongeduld. Weer zo’n fietser die drie seconden van zijn tijd heeft ingepikt. Wanneer ik gepasseerd ben, stuurt hij zijn wagen met luid motorgebrul de baan op. Die verloren tijd moet worden ingehaald.
Als ik even later weer veilig thuis ben, moet ik denken aan die keer dat ik ei zo na onder een vrachtwagen terechtkwam, een jaar of tweeëntwintig geleden. In de bocht van de straat waar we maandag dat huis zijn gaan bezichtigen. Ik fietste naar mijn werk in het industriepark verderop. De bocht waar ik doorheen moest gaf mij voorrang, maar erg duidelijk was de situatie daar niet voor wie de omgeving niet kende. Hoewel: wie op de wegmarkering en borden lette, moest het wel doorhebben. De chauffeur van die enorme vrachtwagen dus niet. Ik kon enkel mijn leven voortzetten omdat ik daar niet een seconde later fietste. In het nemen van de bocht, voelde ik de luchtverplaatsing van het gevaarte mijn rechterarm strelen. Toen ik even later op mijn werk aankwam, heb ik daar tien minuten staan beven en tegen mijn tranen vechten.
Sindsdien denk ik soms over mijn leven als de tijd vòòr die bocht en de tijd erna. Met een beetje verschil was mijn dochter er niet eens geweest.
De vrachtwagenchauffeur minderde geen vaart. Van hem heb ik niet één seconde gestolen.

Er waren nog drie andere keren dat ik de dood in de ogen keek. Een daarvan gebeurde op mijn zeventiende, op schoolreis doorheen Italië. Op een avond was ik samen met een vriendin weggeweest – ik veronderstel dat we iets waren gaan drinken, en toen we bijna terug bij ons hotel waren, stopte er een auto langs de kant van de weg. Een raampje werd omlaag gedraaid, een hand wenkte ons. Mijn vriendin begaf zich argeloos richting chauffeur, ik er achteraan. Op ons zeventiende gingen wij ervan uit dat chauffeurs je alleen maar wenken om de weg te vragen of voor een of ander noodgeval.
Plots draaide mijn vriendin zich om en zette het op een rennen. ‘Hij heeft een pistool!’ riep ze. Toen zag ik het ook. Vanuit de wagen werd een ronde donkere opening op me gericht. Zonder na te denken deed ook ik het enige wat mogelijk leek: rennen. Ik vloog achter mijn vriendin de hoek van de straat om, de wagen volgde gierend. Even later stoven we ons hotel binnen, bleven lopen, de trap op, helemaal tot aan onze kamer op de tweede ‘piano’. Daar wisten we niet te kiezen tussen hijgen en lachen. Het was zo onwerkelijk.
Ik had nadien geen last van het voorval, kon er alleen nog over denken als ‘onwerkelijk’. Tot die dag waarop ik tegen valavond naar huis wandelde, twaalf jaar later en hoogzwanger, en er een auto naast mij kwam rijden waarin iemand een raampje opende en mij met een speelgoedpistool knallend onder vuur nam. Pas toen heb ik een hele avond gebibberd en gehuild.

De tweede keer was een paar maanden later. Ik was enkele dagen daarvoor door een lastige bevalling gesparteld en had veel bloed verloren. Te veel. Elke dag werd ik wat witter, tot de dokter zorgelijk naar me keek en zei: er is geen verschil meer tussen jou en het laken. En toen was ik weg.
Toen ik wakker werd, hing er een grote rode zak boven mijn hoofd, naast de zilveren ballon met in vrolijke letters: ‘It’s a girl!’

De derde keer was toen mijn ouders me hielpen verhuizen en mijn moeder vanwege haar ongemak met mensen te vroeg arriveerde en alvast de grote kleerkast uit elkaar begon te halen, geholpen door mijn vader, om zo min mogelijk tijd te hoeven doorbrengen met de kennis van me die ook zou komen helpen.
De kast was er een waar minstens drie personen voor nodig waren. Terwijl de bovenste plank eraf werd gehaald, moesten de zijwanden worden vastgehouden, zodat ze niet zouden vallen. Ik vroeg mijn moeder te wachten op de kennis, die elk moment kon arriveren, maar dat wou ze niet.
En toen hoorde ik plots vanuit mijn gebukte positie naast een uiterste kastwand haar gilletje. Ik kon net op tijd opzijspringen vooraleer de wand op mijn achterhoofd zou neergekomen zijn. De kast was stuk, ik net niet.
Op de rand van tranen van het schrikken, zei ik: ik had het nog gezegd … Mijn moeder werd boos en nam mijn vader mee. Ze waren weg, lieten mij bevend achter op een zwart metalen krukje.