Selecteer een pagina

Zaterdag reden mijn man en ik naar een beddenwinkel om voor mij een hoofdkussen te kopen. Een goed kussen is belangrijk voor een slechte slaper. Ik slaap al jaren op een goedkoop exemplaar van IKEA (dat ik zelfs meeneem op reis), en dat is fantastisch, maar niet echt een goede ondersteuning van nek en hoofd. Wat ervoor zorgt dat ik soms wakker word met een vastzittende nek en hoofdpijn; toevallig was dat ook zaterdagochtend het geval. Ik was dus extra gemotiveerd.

In de loop der jaren heb ik al meermaals een nieuw kussen geprobeerd, maar altijd zijn ze te hard, en heb ik het gevoel dat mijn hoofd hoger ligt dan de rest van mijn lichaam, waardoor het zich niet kan ontspannen.
Enkele maanden geleden had ik me er nog eens aan laten vangen. Ik had online een veelbelovend hoofdkussen met traagschuim gekocht. Dat ik het niet kon uitproberen vond ik niet zo erg, want ook wanneer ik kussens in winkels uitprobeer, merk ik pas de nacht erop dat het toch niet zo lekker ligt als in de winkel. Meestal eindigt mijn man er dan mee. Hij slaapt toch goed, en dan hoef ik ook niet wakker te liggen van het weggegooide geld. Bij het traagschuimexemplaar mopperde hij wel even over ‘dat rotsblok’ waar ik hem mee opzadelde, maar tot onze beider opluchting bleek hij er de volgende ochtend heerlijk op geslapen te hebben. En zijn nek werd er zo goed door ondersteund.

Vorige zaterdag mocht hij dus een kussen voor mij kopen. In de grote winkel bleken we de enige klanten te zijn, en daar was ik blij om. Ik hoefde me niet opgejaagd te voelen bij deze belangrijke aankoop.
Er werd mij een bed ter beschikking gesteld, een met een gelijkaardige matras als die we thuis hebben (niet te hard, niet te zacht), en een vriendelijke vrouw met een bloemenmaskertje voor neus en mond haalde het ene na het andere kussen van de ons omringende planken, waarna ze er een zacht doekje met het logo van de zaak omheen wikkelde, om het dan onder mijn van hoofdpijn jammerende hoofd te schuiven. Eerst de rechterzij, dan de linker. Mijn schoenen netjes op een dikke plastic lap op het voeteneinde.
De vrouw en mijn man namen plaats achter mijn rug, om luidop te oordelen over de positie van hoofd en ruggengraat. Of die mooi in elkaars verlengde lagen. Wanneer ik me op mijn andere kant draaide, volgden ook zij naar de andere kant van het bed. Als ik dat wou, had ik er een spelletje van kunnen maken.
Ik hoorde opmerkingen als ‘hé, deze schouder lijkt anders dan de andere. langs die kant paste dit kussen beter. ja, gek toch. ze zal twee verschillende kussens nodig hebben, één voor elke zijde, haha.’ Ondertussen lag ik daar, met geen andere opdracht dan te voelen. En dat was nog niet makkelijk. Het ene na het andere kussen werd onder mijn gemaskerde hoofd gelegd. Nu wat harder, dan weer zachter. Soms met een extra donsvulling erbij, en toch ook een keer met traagschuim. Dat gaf ik snel terug aan de verkoopster.
Toen het nog tussen twee exemplaren ging, trok de vrouw zich terug naar een ander deel van de zaak, zodat ik in alle rust, en zonder mondmasker, kon beslissen. Het bed lag goed, als ik iemand anders was, had ik zomaar een dutje kunnen doen.
Er werd beslist, ik koos nog enkele kussenslopen uit, mijn man betaalde, en na vier nachten kan ik opgelucht zeggen dat ik dat goed heb gedaan. Mijn man mag op zijn steen blijven liggen.

In de boeken van Robbert Welagen zit vertraging. Zowel in hoe hij schrijft als in zijn personages. Daarom lees ik ze graag. Ze brengen mij tot rust.
Ik leer er ook uit dat het zinvol kan zijn om op een bankje in een verlaten station te zitten, in een gehucht ergens in een buitenland waar je nooit eerder was, en niet te weten waar naartoe of wat gedaan. Misschien weet Welagen ook niet altijd meteen wat zijn personages zullen doen.
En wanneer ze gewoon het ene na het andere chocoladekoekje met sinaasappelsmaak naar binnen werken, vind ik dat nog interessant. De romanfiguren van Robbert Welagen zijn als traagschuim.

Zelf doe ik wel traag, maar met een voortjagend hoofd. Toen de dokter onlangs vroeg of ik mezelf als een rustige persoon beschouw, bekende ze: je ziet er rustig uit, maar wanneer je begint te praten, weet ik dat je dat niet bent. Ik voelde me betrapt, een beetje een bedrieger.
Op de yogamat, tijdens de les op maandagavond, ben ik ook vaak bezig met alles wat zich aandient. Ik voel niet alleen mijn lichaam, maar ben me ook gewaar van de dolle carrousel in mijn hoofd. Tijdens de laatste minuten van de ontspanningsoefening ter afsluiting, begin ik te denken aan de taken die dadelijk zullen volgen. Rol ik eerst mijn riem op, of toch maar na mijn matje? Of doe ik dit nadat ik mijn kurken blokjes naar het verzamelkarretje heb gebracht? Terwijl het niet eens iets uitmaakt, maar ik blijkbaar toch een zekere orde wil voorbereiden in mijn hoofd.
En dan zegt de lerares met haar zachte stem: ‘Niets om te doen, nergens anders om te zijn’, en denk ik dààr weer over: ja, dit is het, die toestemming heb ik nodig. Ook al was deze opdracht de enige tijdens dit hele uur, daarvoor alleen al zou ik het doen. Waarna ze drie keer op haar klankschaal tikt, en dat wat daarmee de grote ruimte wordt ingestuurd, mij helemaal vervoert. Tot ik een beetje angstig begin te denken: laat het alsjeblieft helemaal uitsterven. Maar dan zegt ze, net iets te vroeg: zo, dat was het.