Selecteer een pagina

In een supermarktje waar ik zelden kom, maar waar ik soms snel een limoen of fles melk ga halen, stond gisteren achter mij aan de kassa een man die de kassierster, die nog bezig was met de klant vòòr mij, beleefd en vrij zacht vroeg om het rek met sigaretten te openen. Omdat het meisje hem niet hoorde, herhaalde hij zijn vraag, ditmaal iets meer naar haar toegebogen. Helaas ook nu zonder succes. Toen hij daarop een lach van verstandhouding met mij wisselde, herkende ik hem plotseling. Het was van mijn vijftiende geleden dat ik R nog had gezien, toch in levenden lijve, want op facebook had ik de voorbije jaren wel eens een fotootje van hem zien passeren in de groep van de plaats waar we beiden (nog steeds en terug) wonen. En die ene keer, toen ik vijftien was, was meteen ook de enige keer dat ik hem had ontmoet. Dat was in een koude maand februari op een verjaardagsfeest van een klasgenoot die, tesamen met R en nog een andere jongen, zijn zestiende verjaardag vierde. Een feest dat plaatsvond in een fabrieksgebouw in een industriepark in de buurt. Het gebouw was eigendom van de vader van R, zei men, maar dat was alles wat ik over hem wist – ik wist niet eens hoe hij eruitzag, hij zat ook niet op onze school.

Het was de eerste keer dat ik was uitgenodigd op een Heuse Fuif; ook enkele van mijn klasgenoten waren aanwezig, waaronder twee vriendinnen. Toen ik die zaterdagavond tesamen met die twee vriendinnen de feestzaal betrad, kregen we meteen door onze klasgenoot een welkomstdrankje in de handen gestopt: cola in een wit plastic bekertje. Het was er zo druk en luid, dat het me allemaal wat overweldigde. Wist ik veel wat je op zo’n fuif hoorde te doen, hoe het daar aan toeging. Ik denk dat we vooral wat rondhingen en met de mensen die we kenden een praatje maakten. Of beter: iets in het oor riepen.
Al gauw merkte ik dat mijn tijdsbesef niet verliep zoals ik dat gewend was. De uren leken aan elkaar te kleven als kaasslierten boven een fonduestel. Ik keek naar de grote wandklok, keek een uur later opnieuw en schrok ervan dat er nog maar vijf minuten waren voorbijgegaan. Mijn vriendinnen en ik gingen een luchtje scheppen in de sneeuw, want binnen stond een gevaarlijke kachel in het midden van de dansvloer, die de ruimte onaangenaam warm stookte. Wie zich aan de kachel stootte, verbrandde zich. Buiten bleken meer mensen verkoeling te hebben gezocht. De andere gasten leken allemaal ouder; wij vijftienjarigen waren de jongsten daar. We hoorden flarden van gesprekken, die gedempt klonken boven de platgetrapte sneeuw. ‘Heftig, dit.’ ‘Iedereen lijkt wel zat.’ ‘De fuiven van R zijn de beste.’ ‘Geen ouderlijk toezicht.’ Ik voelde me een beetje angstig soms, dan weer niet meer. We kwamen in een soort hangar terecht, waar een paar anderen rondhingen. Iemand wees naar een oude canapé en gniffelde: hier komt R met zijn meisjes. Mijn vriendinnen en ik begonnen het koud te krijgen en begaven ons weer naar de feestzaal. Daar leek de klok nauwelijks bewogen te hebben. De avond duurde en bleef maar duren en ik voelde me onbehaaglijk. Om middernacht zouden we worden opgehaald door een van onze ouders, maar zoals het ernaar uitzag, zou het nooit zover komen. Als mijn ouders hadden geweten hoe verjaardagsfeestjes van zestienjarige klasgenoten er konden uitzien, hadden ze mij trouwens thuisgehouden, daar was ik van overtuigd.
De dj zette de La Bamba op, ik werd meegetrokken in een slordige kring rond de kachel. Vrijwel meteen kwam er een jongen die ik niet kende naar me toe, hij brak me vastberaden uit de kring en stak zijn tong in mijn mond. Het was de eerste keer dat iemand dat deed. Ik voelde hoe zijn tong wild in mijn mond rondging en was gefascineerd door hoe dat aanvoelde, die twee natte lapjes tegen elkaar. Zacht, slijmerig, warm. Ik was zo overdonderd dat ik vergat ook met mijn tong te bewegen, maar had niet de indruk dat de jongen dat ook maar opmerkte. Zo erg was hij bezig met zijn eigen choreografie. Toen hij besliste dat het genoeg was geweest, stopten we. Ik keerde terug naar de kring, waar ik alleen nog werd uitgehaald voor kuise zoentjes op mijn wang.
Na de La Bamba was het de beurt aan de slows. Een voor mij veel te oude kerel in een zwarte lederen vest sleurde me ondanks mijn protest de dansvloer op, en dwong me onder de klanken van Peter Maffay’s ‘Du’, een lied waar ik een hekel aan had, naar het gekraak van zijn leder te luisteren. Na dat rondje ontsnapte ik snel naar mijn vriendinnen. Klasgenote I was erbij komen staan, zij vertelde over R, de zoon van de eigenaar van het pand, dat hij met haar had staan tongzoenen. Plots kwam de jongen die zijn tong in mijn mond had geforceerd bij ons groepje staan en stak hem nu in I’s mond. Hij bleek R te zijn. Ik wou eigenlijk best nog wel een herkansing, bedacht ik, nu ik eenmaal wist waaraan ik me kon verwachten. En ook al was hij niet mijn type, zijn zelfzekerheid vond ik sexy. Zeker na dat hele vorige schooljaar tijdens hetwelke klasgenoot K verliefd op me was geweest (en ik op hem) zonder me ooit te hebben durven aanspreken. Maar R maakte zich los van I, vertelde nog een grapje tegen de groep, en verdween met een brede glimlach in het feestgewoel, zonder mij te hebben aangekeken. Hij had me tijdens onze zoen vast ook niet eens opgemerkt. Ik had eender welke mond kunnen zijn.

Deze R stond nu, meer dan dertig jaar later, naast mij aan de kassa in het supermarktje, beleefd te vragen om sigaretten. En hij glimlachte naar mij zonder te weten wie ik was. Ik vond het grappig, twijfelde even of ik iets zou zeggen, maar wat dan wel? Deze volwassen man, die in niets meer leek op de R van vroeger – hij was zelfs grijs geworden maar had wel zijn opvallende ogen nog, had er vast om kunnen lachen. R, de man die inmiddels blijkbaar niet meer neemt maar vraagt.
Ik had hem kunnen vragen wat er destijds in mijn drankje had gezeten.