Selecteer een pagina

Op weg naar de eerste les ‘De kracht van kwetsbaarheid’ stap ik bij het verlaten van de spoorwegtunnel langs acht spoorwerkers in fluogele jassen. Ik groet hen, geen van hen groet terug.

We zitten in een U-vorm, zeventien vrouwen. De cursist naast mij zegt tegen de groep: ‘Ik was bijna dood’. En: ‘Ik heb dat moeten leren, mezelf kennen, maar nu ken ik mezelf helemaal’. Niemand reageert. Ze heeft het dan ook verkondigd op een toon waar niets tegenin te brengen valt. Ik denk: ik weet wel zeker dat ik mezelf nooit helemaal zal kennen. De vrouw naast mij deelt nog veel meer over zichzelf. Na een kwartier heb ik de indruk dat ook ik haar bijna helemaal ken.
Er geldt een waarschuwing voor hoesters deze dagen. Hen dient men te mijden. Plots begint een vrouw te hoesten, ze geraakt niet meer gestopt, ze vlucht de gang op. Nog geen vijf minuten terug op haar stoel, loopt ze opnieuw het klaslokaal uit. Iedereen denkt hetzelfde, niemand zegt iets. Wanneer we haar na de les in de gang vinden, met rood gezicht en natte ogen, lacht ze verontschuldigend: kriebel in de keel. Wij knikken, iemand legt een hand op haar schouder. Geeft niet, zit er maar niet mee.

Na drie maanden van periodiek vasten en gezonder-dan-gezond eten en intensief wandelen, laat ik opnieuw bloed onderzoeken om mijn cholesterolniveau te meten. Daarvoor ga ik naar de jonge vrouwelijke collega van mijn huisarts, die sinds enige tijd de praktijk met hem deelt. Ik kan geen drama meer verdragen. Ik wil niet meer het gevoel krijgen dat ik heb gefaald, ook al kan ik er niets aan doen, en doe ik er al alles aan. Ik wil niet meer horen dat ik nog maar tien jaar heb. Mijn fitte en gezonde en krachtige lichaam gelooft dat ook niet meer.
Op haar computer zoekt ze de resultaten van mijn bloedonderzoek van eind november. ‘Ja, inderdaad een ietsje te hoge cholesterol’, zegt ze. Ietsje te hoog?! Ook al weet ik dat het om méér gaat dan ietsje te hoog, wat een verschil met de dramatische kreten van mijn huisarts …
Ik vertel de dokter wat ik de laatste maanden allemaal heb gedaan. Dat ik géén medicatie heb genomen. Dat ik me grondig heb geïnformeerd over het onderwerp. Dat ik zodanig op mijn eten ben gaan letten dat ik zelfs rode druiven eet in plaats van groene, omdat ik ergens las dat die de cholesterol zouden verlagen. Dat ik achttien uren per etmaal vast, niet meer snoep, een wandelverslaving heb ontwikkeld en vijf kilo lichter ben. Dat ik elke ochtend, vòòr mijn eerste wandeling, drie kwartier yoga doe en ‘s avonds ook nog enkele andere oefeningen.
Ze kijkt me een beetje verbaasd aan en ik denk: ze vindt me een freak. Ik verzeker haar dat ik niet meer wil afvallen, dat dat ook nooit de bedoeling was, en dat ik voldoende vetten eet, en ook voldoende binnen mijn eetraam. Alleen maar gezonde dingen dus. Voor snoepen is er trouwens geen ruimte binnen die zes uren, haha. Geen chocolade maar noten. Geen stuk taart maar een wortel. Groene thee en water. Een enkele keer heb ik mezelf ook koekjes en een croissant en een niet zo gezonde maaltijd toegestaan. Op de dagen dat het getal op de weegschaal me wat bang begon te maken. Je kan geen hele dag noten eten. Wel allemaal binnen de zes eeturen. Ik ben mijn man trouwens dankbaar dat hij tijdens de weekends zonder morren zijn gebakken zalm met broccoli tesamen met mij om half vijf opeet.
‘Wauw, ik zou dat nooit kunnen’, zegt ze dan. Het ging geleidelijk en dan is dat niet moeilijk, reageer ik. Ik voel me fitter dan ooit, en wil dat niet meer kwijt. Het drama van de huisarts was dus nog ergens goed voor.
Op weg naar huis stop ik bij de bakker voor een brood. En twee koffiekoeken, nah. Ze zijn veel te zoet, smaken me niet zoals ik had verwacht. Ik hoef er dus ook niet meer naar te verlangen.

Voordat ik de dokter de volgende dag bel voor de resultaten, bereid ik me toch maar voor op teleurstelling. En op het ergste. Stel dat hij nog gestegen is, gaat het tijdens het wandelen door mijn hoofd. Want dat maakte ik lang geleden eens mee na een cholesteroldieet. En ik las ook meermaals dat hoe minder cholesterol je via je eten naar binnen werkt, hoe meer je lever ervan gaat aanmaken. Maar nee, mijn inspanningen werden beloond. Het niveau is nog steeds te hoog, maar nog nooit zo laag geweest, en de verhoudingen zitten goed. Héél goed, voor een Belg, voegt de dokter lachend toe. Een beetje jammer dat ik niet weet of het door het vasten komt, het wandelen, het gezonde eten, of een combinatie, maar ik blijf mijn nieuwe levenswijze verderzetten.
Medicatie is opeens niet meer nodig. Blij dat ik mijn gevoel heb gevolgd, koppig ben geweest, en er niet mee begonnen ben.

‘s Avonds in bed ben ik zo moe dat ik de laatste twee regels van een bladzijde in het boek dat ik aan het lezen ben, het erg goede ‘Weersverwachting’ van Jenny Offill, maar niet gelezen krijg. Mijn ogen vallen telkens dicht, het boek bijna uit mijn handen. Ik geef het dan maar op en knip het lampje uit, leg mijn zware hoofd op het kussen en geniet van het gevoel dadelijk weg te zullen zijn.
Maar plots lijkt het alsof de tijd stopt en zich vervolgens in de andere richting beweegt. Ik word wakkerder en wakkerder, en daarna nòg wakkerder van het gevoel van frustratie. Het volgende uur hou ik me bezig met miserabele pogingen tot slapen. Niet via een omweg, maar rechtstreeks. Alle gedachten bannen, het hoofd leeg. Wanneer dat niet helpt, probeer ik na te gaan wie in mij zit, en niet voor het eerst ervaar ik dat daar niemand is. Er is geen achtergrond, niet iets permanents, en al zeker geen persoon. Niemand om te kennen. Dat is een geruststelling. Ik val zomaar overal doorheen.
Boos neem ik een stukje slaappil en open opnieuw ‘Weersverwachting’. Als er niemand is om te slapen, waar maak ik me dan druk om?

De volgende dag staan aan het einde van de spoorwegtunnel vier fluogele mannen. Ik groet hen, geen van hen groet terug.