Selecteer een pagina

We wonen nu een week in ons nieuwe huis, en het bevalt me zeer. Sommige dingen mis ik, maar die wegen niet op tegen de rust die weer over ons is neergedaald. Toen we zondag de laatste dingen gingen regelen in ons oude huis, werden we door een (ex-)buurvrouw aangesproken. Dat de voorbije nacht van bij onze gewezen naaste buren tot ver na middernacht zo’n lawaai was gekomen, zowel vanuit de tuin als op de straat, dat mensen er tot in de wijde omtrek last van hadden. En dat ze blij was voor ons dat we dat niet meer hadden hoeven meemaken.
Ik kan dan alleen maar denken: oef. En hopen dat ze snel weggaan daar (ze waren toch van plan het huis te verkopen?), want de mensen die ons huis hebben gekocht, lijken ons sympathiek, en hen wens ik alle rust toe, en dat ze daar even aangenaam mogen wonen als wij hebben gedaan.

Maandagavond hebben we trouwens de verkoopakte getekend. En onze sleutels afgegeven.
‘Altijd welkom!’ riep de vader van de koopster me na.
Pas toen ik enkele uren later voor de tv zat en naar een superspannende match van de Rode Duivels op het WK keek, drong plots tot me door: nu kan ik nooit nog in dat huis binnen.

Zoals elk jaar bij hoogzomer, ging ik eergisteren naar het plaatselijke kerkhof. Dan wandel ik voorbij de graven van mensen die ik heb gekend. Mijn grootouders, met zeven zerken tussen hen in. Het klasgenootje dat op haar zesde overleed aan leukemie. De klasgenote die drie jaar geleden overleed aan een verbazingwekkend agressieve hersentumor. De twee leraren van mijn middelbare school. De lieve buurman van vroeger, ook al een hersentumor, die hem eerst nog blind en doof had gemaakt. Alle buren van mijn grootouders, die mij als klein meisje over de krullen aaiden en geschenkjes gaven (De stoffen opspeldbloemen van Adrienne! De peren van Mariette! De zoete stemmen van de samenwonende zussen Agnes, Palmira en Orpha!). Dat waren oude mensen toen, in mijn kinderogen, ook al moeten ze allemaal rond de zestig zijn geweest.
Ik stond voor de zware blinkende zerk waaronder mijn grootmoeder al eenendertig jaar ligt, en stelde me een hoopje knoken voor onder iets wat ooit een roze nachtkleed met piepkleine bloemetjes was. Maar misschien is er van dat kleed niets meer over. De paternoster tussen haar vingers, waarmee ze werd begraven, die is er wellicht nog wel in al zijn hardnekkigheid.
En ik herinnerde me hoe bang ze was om dood te gaan, die laatste momenten. Bang om naar de hel te gaan. De liefste persoon die ik heb gekend.
Ik had nog nooit voor een graf staan spreken, maar nu fluisterde ik: moeke, ik mis je. ik mis je verpletterende knuffels.
Wat verderop zag ik een oud kindergrafje, dat alleen uit kiezels bestond, een boordje errond, en op de kiezels een beeldje van een witte engel. Geen naam, geen geboortedatum, geen sterfdatum, geen zerkje. Alleen die tijdloze, wakende engel. Dat ontroerde me diep.