Selecteer een pagina

Iemand vertrouwde me toe: ‘Ik wou dat ik was zoals die mensen die geen last van een geweten lijken te hebben. Die maar op doen, over lijken gaan, zonder met hun ogen te knipperen. Het zijn ook altijd de goede, zachtaardige mensen die daar het slachtoffer van zijn.’
In die laatste groep deelde ze zowel zichzelf als mij in.
Ik heb dat ook wel eens gedacht, ja, dat ik wat gewetenlozer zou willen zijn. Dat het leven dan makkelijker lijkt. Maar toch vraag ik mij af of niet iedereen een min of meer dezelfde hoeveelheid geweten heeft. Maar dat sommigen er beter in slagen dat het zwijgen op te leggen, wat zich dan toch op een of andere manier wreekt, vroeg of laat.

Als ik denk aan de mensen die mij pijn hebben gedaan (en dan heb ik het niet over een belediginkje of verkeerd gevallen woord), en daar soms jarenlang stug mee doorgingen, dan kan ik bij elk van hen een nog veel grotere pijn zien. Een die eruit moet, in de vorm van agressie, manipulatie, venijn, leugens. En daarvoor kiezen ze de mensen die het dichtst bij hen staan.
Kortom, deze mensen zitten doorgaans slecht in hun vel. Of het hen dan een comfortabeler gevoel geeft geen last te hebben van een geweten? Ik betwijfel het. Maar misschien kan ik me gewoon te weinig inleven in zulke mensen.
Ik ben hen daarom ook zo lang blijven verdedigen. Tegenover anderen, tegenover mezelf.
‘Ach, ze zijn nu eenmaal ongelukkig / ziek / depressief.’ (Lees: ze kunnen er ook niet aan doen.)
En als het dan ook nog eens mensen uit je naaste omgeving zijn, waar je wel mee verder moet, bemoeilijkt dat de situatie.
Tot het op een keer dan toch te veel wordt. Je kijkt naar jezelf. De situatie waarin je zit, hoe je leven eruitziet. Door hun toedoen. En doordat jij je grenzen telkens hebt opgeschoven en jezelf in een hoekje hebt laten dringen. En plots is je medeleven op. Je denkt: ik ben er ook nog, het is genoeg geweest.