Selecteer een pagina

Binnenkort zal hij er niet meer zijn, laat hij weten. Hij heeft het vijftien jaar lang geprobeerd, maar leven zonder mij lukt hem maar niet. De aanvraag voor euthanasie werd goedgekeurd.
Tegen beter weten in, probeer ik op hem in te praten. Hem duidelijk te maken dat hij er niet nièt wil zijn, maar alleen van de pijn af. En dat er nadien niemand, nooit meer iemand, zal zijn om die pijnloosheid te ervaren.
Ik ben voorstander van beslissen over het eigen leven. Behalve dan blijkbaar wanneer het gaat om iemand die ik ken, en die ik een warm hart toedraag. En die dan ook nog eens wil sterven omwille van een illusie. Ik krijg hem die illusie niet aan het verstand gebracht. Al zo lang niet.

De laatste keer dat ik hem zag, zal een jaar of tien geleden zijn. Ook toen ging het al even niet goed met hem. Hij was in behandeling voor zijn drugsverslaving en voor zijn Katrinverslaving. Vòòr die laatste verslaving, waren we gewoon vrienden. We bezochten samen concerten, musea, parken, feestjes. Op een van die feestjes had ik aan een andere vriend gevraagd: ‘G. zal toch niet verliefd op me zijn, hè?’ De vriend antwoordde monkelend: ‘Hij weet het zelf nog niet.’ ‘De blindeman!’ brieste G. daar later over. Zijn verliefdheid nam immers een aanvang bij de eerste blik die hij op me wierp, en sindsdien dacht hij elke dag de hele dag aan me. Zeventien jaar lang.
De laatste keer dat ik hem zag, maakten we een wandeling door een park, en trakteerde ik hem op soep in de stad. Soep die hij bij thuiskomst had overgegeven, zo liet hij me weten. Hij was er zièk van mij te zien, beefde uit zijn lichaam.

Sindsdien mailen wel, heel af en toe, wanneer hij even gestopt is met beven. Soms liggen daar jaren tussen. In die berichten verheerlijkt en beschuldigt hij. Hij herinnert zich elk samenzijn, elk woord van me, elk boek en elk boeket bloemen dat hij me schonk. En hoe ik hem nooit een kans heb gegeven om zich te bewijzen. Ik had hem moeten zeggen: ‘En nu blijf je van de drugs af, drink je minder cola, zoek je een deftige job en rijd je langzamer met de auto! En pas dàn kunnen wij samen zijn.’ En dan had hij dat gedaan en zou zijn leven er nu, samen met mij, heel anders uitzien, en zou hij niet dood willen maar gelukkig zijn.
Het is te ernstig om mee te lachen, er staat een leven op het spel. En ik moet inzien dat ik dat niet kan redden. En me schrap zetten voor wat komt.

Ik zoom uit, word een typer aan een tafel in een kamer in een huis in een straat op een bol die draait en draait en draait aan 1050 kilometer per uur.
Het zijn slechts beelden, die typer, die tafel, die kamer, dat huis, die straat en die bol. Het tollen. De zwaartekracht. Degene die geboren wordt en degene die sterft.

Wanneer ik in het donker naar mijn eerste yogales vertrek, staat mijn man erop dat ik de rode lampjes die we in de winter gebruiken voor tijdens het wandelen, om mijn bovenarm wikkel. Maar ik heb mijn fietslichten toch? stribbel ik tegen. Dat is niet voldoende, meent hij. Om hem te plezieren doe ik de fluorescerende strip om en knip de lampjes aan.
Aan het einde van de straat volg ik de bocht, het brede fietspad op. Van de andere kant komt een auto, die afremt in de bocht en dan samen met mij dezelfde richting inslaat. Die ziet me nu èxtra goed, denk ik. We zijn alleen op de baan. Plots komt de auto dicht naast mij rijden, het fietspad op, om dan gas te geven en er vandoor te scheuren. Een dikke wolk zand dwarrelt over mij en mijn rode lampjes heen.

Op een terras drink ik een cappuccino met één p. Desondanks is hij lekker.
Een wat ouder stel komt het terras opgewandeld, ik herken hen als mijn vroegere buren, die van het huis waar vorig jaar een dode naar buiten werd gedragen. Ik hou me klaar om hen toe te knikken, maar ze kijken niet naar mij. Nooit kijken ze nog naar mij. Ik weet niet of dat komt doordat ze mij niet herkennen, of omdat ze mensen zijn die niet naar anderen kijken.
Toen ik naast hen woonde, waren ze vriendelijk en sociaal, maar dat is ondertussen ook al meer dan twintig jaar geleden. En toen waren er nog geen doden gevallen, en was er ook nog geen G. wiens leven ik kon verpesten.

Ik zoom uit, word een cappuccino-met-één-p drinker aan een licht wiebelende tafel op een houten terras in een stadscentrum op een bol die draait en draait en draait aan 1050 kilometer per uur. Dat doet hij met een cirkelbeweging van ongeveer 23,5° rond de pool van de ecliptica, waarover hij 26.000 jaar doet. Maar ook dat zijn allemaal louter beelden, niets méér.