Selecteer een pagina

Sinds vijf nachten slaap ik weer. Krakkemikkig, maar zonder hulpmiddelen. En met dromen, groter dan mijn slaap. Een glas water naast mijn bed en pilletje in de buurt, voor het geval dat, maar nee – nee – nee, het moet me lukken. Elke nacht erbij vergroot mijn vertrouwen. (Hoe kan het, dat dit ooit zo evident was? Hoe kan het, dat het dat niet meer zou zijn?)
Om de andere nacht knip ik het lampje aan rond half vier, om een uur te lezen. Over ruimte in gewaarzijn, uit elkaar vallen, dingen die het denken lamleggen. Of een griezelverhaal van Roald Dahl. Daarna weer leeg het duister in, op mijn linkerzij (de voortslaapzij), de gedachten opgelost. De inspanning die het kost om in die toestand van niet-denken te blijven, maakt moe. En dan slaap ik weer, toch nog onverwacht. Ik droom. Over drijven in een zwembad vol patiënten. Over trager zijn dan alle anderen. Over niet kunnen slapen.

Ik word wakker in een kamer die niet meer helemaal duister is en voel me blij. Het zonlicht dat tussen de kieren van de zwarte gordijnen dringt, zegt: half acht. Ik zet mijn telefoon aan om te mediteren. Vandaag een kort inleidend filmpje over the maple tree. Bladeren van groen naar bruin. De helikoptertjes, de siroop. Net zoals de esdoorn zich doorheen de seizoenen beweegt, zo doen wij dat ook, vertelt een stem.
Ik zwaai het dons van me af, stap licht het bed uit, doe het raam open. Zon op mijn gezicht. Kort vraag ik me af, zoals elke morgen, hoe het met mijn bejaarde overburen gaat. Of ze nog leven. Hun huis staat al maanden leeg nu. Bijna dagelijks komen kinderen of kleinkinderen langs om een rolluik open of dicht te doen. De man werd enige tijd geleden opgehaald met een ziekenwagen, ontdekte ik toen ik van een wandeling kwam; de vrouw werd meegenomen door hun dochter. Enkele maanden geleden raapte ik de vrouw nog op uit haar voortuin, haar man er hulpeloos naast. Ze heeft me de weken erna wel drie keer bedankt, vanachter de tuinpoort. En nu weet ik niet of ik hen nog zal terugzien.

Ik drink een glas water, douch en stap op mijn fiets. In het bos is het stil. De paar lopers en hondenuitlaters die ik tegenkom, zeggen allemaal goedemorgen. Ik hou mijn zonnebril in de hand, mijn gezicht naar de zon. De bomen werpen lange schaduwen. Beetje bij beetje drijf ik mijn stapritme op. Ik adem bomen, bloesem, zonlicht. De rode linten rond speelruimtes, de waarschuwingen op elke zitbank, de dreigbladen over GAS-boetes, ze halen me telkens even terug naar de realiteit. De parkings zijn leeg, mijn fiets staat eenzaam in het rek.

Gisterochtend sprong ik nog vroeger uit mijn bed, alweer die heerlijke zon. Ik warmde mijn lichaam op met enkele flarden yoga, poetste mijn tanden en ging lopen. Voor het eerst in dertien jaar waagde ik me aan méér dan een wandelpas. Omdat mijn lichaam daartegen protesteerde sinds ik ziek werd. Voorzichtig een minuutje. Lopen, wandelen, lopen, wandelen. Mijn lijf jubelde, ook al was het spannend afwachten daarna. De laatste keer dat ik dit probeerde, dertien jaar geleden dus, moest ik het bekopen met instorten, weken liggen, job kwijt, revalidatie met vallen en opstaan. Maar omdat ik de laatste maanden zo intensief heb gewandeld, durfde ik het nu weer – voorzichtig – aan. Toch een tikkeltje bang. In mijn dagdromen loop ik licht en ver en onvermoeibaar, en ik wil niets liever dan léven. Rennen voor mijn leven.

In de corona-reeks van het tv-programma ‘Topdokters’ zag ik enkele avonden geleden hoe, in een kort fragment, een patiënt in coma van de rug op de buik werd gedraaid. Hij was alleen zichtbaar vanaf de knie. Wat we zagen was hoe zijn ene voet achter de kuit van het andere been bleef haken, vervolgens door een verpleger netjes naast de andere voet gelegd. Ik moest er bijna van huilen.

Ik mis de leeskring, de gezellige avonden in de bibliotheek, de lachbuien. Ik mis de yogalessen op maandagavond, hoe lerares Sara ons telkens zo hartelijk verwelkomt, de rust die ze uitstraalt, ons trouwe groepje. Ik mis mijn vriendinnen, de etentjes, de theetjes, de terrasjes. Ik mis de lattes voormiddags in mijn eentje op het zomerterras bij Tante Trien.
Zondag stonden mijn man en ik op onze oprit te praten met vrienden die toevallig voorbijfietsten toen wij van een wandeling thuiskwamen. Er waren minstens zes meters tussen ons in, maar toch deed het deugd. Vorige week ben ik een boeket rozen op de huisdrempel van een jarige vriendin gaan leggen, en hebben we even met elkaar gepraat. Zij in de deuropening, ik op straat.
Soms komt iemand een lief kaartje in mijn bus steken. Of een mondmasker.
In mijn hoofd groeien de plannen voor ‘erna’, zonder te weten wanneer dat zal zijn, en hoe dat eruit zal zien. In tussentijd wil ik zo licht mogelijk leven en, als het even kan, op mijn roze schoenen door de straten zweven.