Selecteer een pagina

Naast de asfaltweg waarover ik stap, ligt een strook beton. Omdat ik een auto hoor naderen, wijk ik uit naar de betonnen strook. Het valt mij op dat die anders aanvoelt onder mijn voeten, die nochtans in wandelschoenen met dikke zolen zitten. Ik stap opnieuw over het asfalt, daarna het beton. Asfalt, beton, asfalt, beton. Beton is harder, ruwer; asfalt zachter, alsof je er een beetje in wegzakt. Maar dat beeld ik me natuurlijk in.

Hoe ouder ik word, hoe beter ik voel. Niet alleen met mijn handen, maar met mijn hele lichaam.
Op de fiets zijn er steeds weer wisselende aanrakingen met de lucht. Nu eens wat kouder, dan warmer. Maar ook vochtig, droog, dun, klam, zwaar, ijl. De wind speelt met mijn haren, ik voel elk rukje, elke haarwortel, hoe ze mijn oren strelen, zon op mijn kruin. En waar de punten mijn schouders raken als kleine zweepjes.

‘s Nachts, wanneer ik moet plassen, verlaat ik mijn bed in een donkere kamer. Het is een erg grote kamer, met heel wat meters te overbruggen tot aan de deur in de hoek. Feilloos leg ik mijn hand op de klink.
Gisteravond, toen ik na mijn telefoon uitgeschakeld te hebben nog even naar het toilet wou, was het donkerder dan anders. Doordat mijn ogen nog aangepast waren aan het scherm. Met mijn handen voor me uitgestoken liep ik richting deur, maar die kwam maar niet. Waar ik ze verwachtte, was lucht. En nog meer lucht. En toen, een fractie van de seconde voordat mijn vingers de deur zouden aanraken, voelde ik iets. De lucht was daar anders. Dikker, vaster, subtiel afremmend. Ik dacht: zo doen blinden dat.
Soms leg ik mijn hand op mijn wang en geef ik de wang de opdracht de hand te voelen.

Gisterennamiddag bekende ik mijn man dat ik me soms een beetje opgelucht voel als de zon achter een wolkje verdwijnt. Zeker wanneer ze al uren aan het schijnen was, wordt dat soms te veel voor me. Ik hou van ochtendzonlicht, van voormiddagzonlicht, van avondzonlicht, maar de namiddag is me weleens te heftig. Ik vond het fijn dat hij me begreep, en niet lachte met mijn hoogsensitiviteit. Want iedereen snakt naar zon, niemand krijgt daar ooit genoeg van. Behalve ik. Wij zijn de enigen die blij zijn met een noordgerichte tuin, en gruwelen van veranda’s.

‘s Avonds keken we naar ‘Topdokters’, waar lichamen worden opengelegd zodat de immer donkere binnenkant voor één keer aan licht, felle lampen zelfs, wordt blootgesteld.
De toegang naar die duisternis zie ik niet graag. Van een mes dat door huid glijdt en opengesperde huiden word ik een beetje wee. Maar eens ìn dat geheimzinnige lichaam, waar het abstracter wordt, raak ik gefascineerd door rozig lillende organen, wit pruttelend vocht, schedels waar een boor doorheen gaat. Dan aanschouw ik probleemloos hoe een knobbelige lever kunstig uit een borstkas wordt losgesneden, en daarna vervangen door een fris, glad exemplaar. Of hoe een pistachenootje met wat gewrik van een tangetje via de keel uit een kinderlong wordt verwijderd.
Toch fijn dat ik niet àlles hoef te voelen, zei ik tegen mijn man. Hij knikte en stak nog een chipsje in zijn mond.