Selecteer een pagina

Na een wandeling vertonen mijn beide op één na kleinste tenen rode schaafplekken bovenop. Ik kan er niet meer omheen: mijn wandelschoenen zijn, na zoveel jaren trouwe dienst, versleten. Ze waren een cadeau van mijn man, het beste dat hij me ooit gaf.
Om mijn wandelverslaving niet te moeten onderbreken, rijden we twee dagen later naar de winkel voor nieuwe schoenen. In de auto probeer ik lachend: betaal je ook dit nieuwe paar voor me? Maar voordat hij kan antwoorden, zeg ik snel: nee, nee, dat hoeft niet, hoor. Maar dan ga ik wel niet meer bij elke wandeling dankbaar aan je denken. Hij glimlacht eens, is niet het type dat daar om maalt. Madrugada zet ‘Vocal’ in en ik draai de volumeknop, waar ik doorgaans heel gevoelig voor ben, open. Wanneer Høyems stem bij ‘light’ de hoogte ingaat, krijg ik, zoals altijd, kippenvel over mijn hele lichaam. Aan dit ene moment hang ik mijn hele dag op, soms is niet méér nodig.
Ik koop schoenen van een zachte jongen met lachende ogen, even zwart als zijn masker. Op de terugweg stoppen we aan een groentewinkel voor bananen, voor in de ochtendmuesli. Buiten wandelen mijn enige andere dagelijkse verslaving. De verkoopster overhandigt ze me zo hartelijk, dat ik de indruk krijg dat ik met mijn trosje bananen hun winkel heb gered van de ondergang. Sommige mensen maken me zo makkelijk blij, zonder het te weten.

In een droom ben ik op een groot feest. Eigenlijk mag dat niet, want er is, ook in de droom, volop corona. Niemand draagt een masker, niemand houdt afstand. Ik heb honger, maar het eten laat op zich wachten. De mensen aan mijn tafel ken ik niet, maar ze zijn lief voor me, de mannen galant. Omdat ik het warm heb, verlaat ik de tafel om mijn jas (eerst rood en lang; bij een volgende blik zwart en kort), die ik nog draag, te gaan weghangen. Wanneer ik even later weer de zaal in kom, is iedereen aan het eten.

Na zes nachten niet geslapen te hebben, zit ik bij de dokter in de wachtzaal. Omdat het een praktijk met drie artsen is, ben ik niet de enige wachtende. Maar wel de enige die niet door haar smartphone wordt opgeslorpt. Wachten, ik kan dat. Zonder meer. Het is een vorm van meditatie, van tijd voor mezelf. Lief zijn voor jezelf, dat schrijft geen arts je voor.
Ik ervaar de zachte bank onder mijn billen, de ongemakkelijk rechte leuning tegen mijn rug. Het hoge rechthoekige raam links van me met daarachter een helderblauwe lucht. De bleke gietvloer met strepen van schoenzolen. Het masker waarachter ik adem. Het masker waarachter ik het benauwd krijg.
Het wachten duurt uitzonderlijk lang. Ik recht mijn vermoeide rug, een man kucht gedempt in zijn masker. Uit een box ergens boven me komt te luide, lelijke muziek. Dan: ABC, All of my heart. Onverwacht raak ik ontroerd. Ik probeer niet te denken aan wat ik niet mag vergeten te zeggen tegen de dokter dadelijk. Mijn hoofd, een rommeltje. Dat ik niet meer slaap, alleen wat flarden droom, en geen slaappillen wil. Dat moet voldoende zijn. Wat ik dan van haar verwacht? Ik weet het niet. Misschien de geruststelling dat ik niet zomaar zal doodvallen van het slaaptekort. Omdat ik de hele tijd denk: dit kàn toch niet. Een mens kan toch niet zo lang zonder slaap? En toch nog overeind blijven, zelfs functioneren. Elke ochtend vijf kilometer wandelen met een hoofd dat thuisbleef.
Ik begin te zweten. De grijze banken, de grijze vloer, de grijze muren, het onaanraakbare strookje blauw, de schreeuwerige muziek, de handen vol telefoons. Ik stel nuchter vast: ik ben overstuur. Ja, dat is wat ik ben: overstuur.

Wanneer ik mijn schema met slaappil- en huis-tuin-en-keukenmiddelgebruik van de voorbije maanden uit mijn handtas haal en de dokter onder de neus duw, moet ik in mezelf lachen met de controlefreak die hier zit, maar het toch niet kan laten, toch dit rolletje wil uitspelen. Ondanks de vluchtige blikken van de dokter op het blad. Aan het trillende papier zie ik dat mijn handen beginnen te beven. Hoe meer ik ze in bedwang probeer te houden, des te erger het wordt. Oké, denk ik, dit vertelt haar misschien méér dan mijn schema en verhaal. Hoewel ik pas overstuur raakte in de wachtkamer.
Of misschien was ik het al een beetje, toen ik een kwartier voor vertrek mijn uitnodiging voor vaccinatie ontving, en de opgegeven datum net in onze vakantie bleek te vallen. En ik al een hoop gedoe en dwarsheid voorzag wanneer ik morgen naar het vaccinatiecentrum zou bellen met de vraag of ik eventueel vroeger zou mogen komen. En of ik dan nog wel het vaccin van mijn voorkeur, dat me nu was toegewezen, zou krijgen. Allemaal dingen waar een moe hoofd moeilijk mee overweg kan.
En er is frustratie. Ik mediteer al jaren dagelijks, doe yoga, wandel, heb onlangs zelfs een spijkermat gekocht waar ik me ‘s avonds op ontspan. Waarom krijg ik mijn hoofd dan niet stil? De dokter luistert, knikt, stelt gerust. Ik zal niet doodvallen van een tekort aan slaap. En ja, het is vervelend om een hele nacht wakker te liggen en geradbraakt op te moeten staan, maar eens dat achter de rug is, ben ik toch oké? Buiten dan de moeite die ik heb met concentratie, en de onhandigheden, dingen laten vallen, overal tegenaan stoten. Haar telefoon gaat, ze neemt op, praat zacht in de hoorn. Ze is jong en mooi, en even steriel als de kamer waarin we zitten. Haar hoge paardenstaart heeft ze bijeengebonden met een doorschijnend spiraalelastiekje dat ik alleen nog maar om polsen zag. Ze beëindigt het telefoongesprek met enkele geruststellende woorden en richt haar aandacht weer op mij. Even later verlaat ik de praktijk met een voorschrift voor een stevige dosis melatonine, dat ik thuis in mijn agenda steek, enkele dagen vòòr de vervaldatum over drie maanden.

In een droom draag ik een zakje in een zachte donkergele stof bij me. Erin zit een baby, mijn baby, maar ik heb hem (of haar) nog nooit gezien. Ik kan hem alleen door het zakje heen knuffelen. Hij is aangenaam warm en hem dicht tegen me aan houden en voelen bewegen doet me zo goed. Als een uitwendige baarmoeder.
Maar dan mag ik toch een keer het zakje openritsen. Erin zit een lelijk klein jongenshoofd op een babylichaampje, met flets bruin stekeltjeshaar. Zijn ogen, in dezelfde fletse kleur, zijn open en staren dood voor zich uit.

De volgende ochtend bel ik naar het vaccinatiecentrum en de vriendelijke vrouw die ik te spreken krijg past mijn beide afspraken zonder probleem aan, breit ze zelfs aan die van mijn twee jaar oudere man, zodat we maar twee keer hoeven te komen in plaats van vier. In mijn hoofd verlopen de dingen meestal ingewikkelder dan in de werkelijkheid. Ik knuffel de vrouw door de telefoon heen, en zij wenst me nog een fijne dag. Nog geen minuut later krijg ik de twee bevestigde afspraken in mijn mailbox.

Die middag doen we met vier vriendinnen ons eerste terras sinds vorige zomer, midden in het groen. Het zijn ook de eerste mensen die ik sindsdien samen zie, want aan ‘bubbels’ heb ik nooit gedaan. Dat was me te ingewikkeld en ook te gevaarlijk.
Een vriendin heeft voor elk van de andere drie een grote witte pioenroos bij, mooi verpakt. Gewoon, omdat ze ons graag ziet. Ze weet niet dat pioenen mijn favoriete bloemen zijn. Ik steek mijn neus in het cellofaan en een heerlijke geur ontploft in mijn hersenen.
Het doet deugd om nog eens tussen mensen te zijn, ook al zijn we voorzichtig en raken we elkaar niet aan. Nu pas besef ik hoe ik dit heb gemist. We maken meteen een nieuwe afspraak, voor over een maand.
Onze woonkamer hangt nu al zes dagen vol pioen.

In een droom maken ik en mijn ouders, bij wie ik nog inwoon als kind, ons klaar om vanaf de volgende dag zo dicht mogelijk bij bezitloos door het leven te gaan. Alleen de hoogstnoodzakelijke spullen mag ik houden. Ik heb uitgekeken naar die bevrijdende levenswijze, maar tegen de avond krabbel ik terug, word ik bang. Mijn moeder vraagt of ik nog wel wil. De keuze is aan mij.