Selecteer een pagina

Even na de middag wordt er aangebeld. Ik ga naar de voordeur, doe open. Niemand te zien. Ik kijk naar links, vervolgens naar rechts: niets. Wanneer ik terug in de woonkamer kom, zie ik door het grote achterraam nog net een been achter het tuinhuis verdwijnen. Wat zullen we hier hebben, denk ik.
Ik open het raam en wacht af. Even later verschijnt vanachter het tuinhuis een grote enthousiaste hond die een man – eveneens groot, grijsblond, ergens in de vijftig – achter zich aan trekt middels een lijn. Ik zwijg, kijk de man streng aan. Benieuwd naar zijn uitleg.

– Ik had aangebeld.
– En ik ben gaan opendoen, maar er was niemand te zien.
– Euh, ja, ik dacht dat er misschien een pakje voor mij in jullie gele container lag. Ik woon op hetzelfde nummer hier wat verderop, maar dan met een L achter, zie je. En het is al vaker gebeurd dat de postbode zich vergiste en onze L voor jullie I aanzag.
(De afvalcontainers staan inderdaad achter het tuinhuis. Hoe deze man dat weet? Misschien is het niet zijn eerste bezoekje aan onze tuin?)
– Als er hier een poststuk verkeerd wordt bezorgd, dan zal ik dat niet in de container gooien, maar naar het juiste huisnummer brengen.
– Jamaar, je begrijpt het verkeerd. Ik heb bij De Post opgegeven dat ze bij onze afwezigheid pakjes in de gele container mogen achterlaten.
Ondertussen staat de hond de hele tijd wild aan de lijn te trekken, hij springt in mijn richting, alsof hij niet kan wachten om mij aan te vallen. De man houdt hem met moeite tegen, wordt soms uit zijn evenwicht getrokken.
– Ik begrijp het.
– Maar er zat dus niks in jullie container, heb ik zonet gezien.
Hij laat zich niet langer tegenhouden nu, en volgt de hond, zonder afscheid te nemen. Net voor hij om de hoek van ons huis verdwijnt, roep ik hem nog na: ‘Goeiedag, hé!’ Hij wenst mij dan ook maar een goeiedag.

Wanneer ik even later in de zetel zit te bekomen en het gebeurde – het ging zo snel allemaal – in mijn hoofd opnieuw afspeel, word ik kwader en kwader. Het lef! Die onbeleefdheid! Alsof het de normaalste zaak is om bij vreemden tot achter in de tuin te wandelen, mèt je onstuimige hond, en daar wat in de afvalcontainer te gaan snuffelen. Ook al heb je dan aangebeld, voor de vorm dan nog, want zonder de kans te geven de deur te openen. Ik kan me met geen mogelijkheid voorstellen dat ìk zoiets zou doen.

Ik mail mijn man op zijn werk om stoom af te laten. Begin met de zin ‘Ik wil een poort!’
In het voorjaar zullen wij onze tuin laten heraanleggen, en dat er een poort op de oprit komt en een hek aan de andere kant van de voorgevel, was al afgesproken. Nu kan iedereen zomaar om ons huis heen wandelen. Onlangs hoorde ik zelfs hoe op een avond – het was al donker – de zijdeur werd opengedaan en weer gesloten, om even later via het voorraam iemand onze oprit te zien afwandelen.

Ik probeer na te gaan waar mijn boosheid precies vandaan komt. Wàt is het wat hier werd geschonden? Waar ligt de grens? Zowel de letterlijke (Tot waar mogen bezoekers komen vooraleer ik me ongemakkelijk voel? Tot waar bekenden? Tot waar vreemden? En in hoeverre voelde ik me bedreigd door de hond?), als de figuurlijke (Wat wil ‘eigendom’ nu helemaal zeggen? Wat moet er worden bewaakt? En als ik het helemaal tot het uiterste wil drijven: die ander staat niet los van mij, dus waar maak ik me druk om?)
Ik begin me af te vragen of ik niet te flauw, te enggeestig ben. Wat heeft die man mij eigenlijk misdaan? Niks toch? Heb ik me onveilig gevoeld? Of was ik vooral geschrokken? En wat zou er kunnen gebeurd zijn? Wat zou er kunnen gebeuren ook als ik dergelijke dingen vanaf nu toelaat?
Ik kan niet anders dan vaststellen dat ik vooral boos ben op mezelf. Omdat ik te verbouwereerd was om op de situatie te reageren zoals ik dat eigenlijk had willen doen. Namelijk: de man zeggen dat ik het niet fijn vind dat men zomaar onze tuin inwandelt, al dan niet met woeste hond. En omdat ik beleefd bleef tegen iemand die ik als onbeleefd ervoer. Ook al omdat ik de buren niet tegen het hoofd wil stoten. En niet wil dat er over mij wordt gesproken in termen van ‘amai, die nieuwe buurvrouw …’
Maar wat met mìjn hoofd dan? Voel ìk mij niet tegen het hoofd gestoten? Zeer zeker.

Pas uren later kom ik tot de conclusie: waar mijn grenzen liggen, waar ik mij goed / slecht bij voel, dat bepaal ik zelf. Daar kan iemand anders nooit een maatstaf voor zijn.
En daarmee kan ik de zaak eindelijk laten rusten.