Selecteer een pagina

‘s Ochtends bij het verlaten van ons huis zie ik de moeder van de buurman, die net arriveert met een paar gestreken hemden van haar zoon. Ze gromt als reactie op mijn groet. Ik kan het me niet aantrekken.
Ik fiets nogmaals naar het bos, voor een wandeling. De zon breekt door de mist.
Wanneer ik mijn fiets vastmaak, loopt een jogster me voorbij, ze wenst me een goedemorgen. Van vriendelijke mensen kan ik even vrolijk worden als neerslachtig van norse.
Vanaf dan kom ik de ene vriendelijke mens na de andere tegen. Wandelaars, lopers, vreemden, bekenden. Iedereen lijkt goedgezind vandaag, iedereen groet, knikt of lacht. Mijn vermoeidheid van alweer een slechte nacht zinkt weg in het dikke bladertapijt dat op de boswegen ligt. Ik houd een fiks tempo aan, voel me beter met de minuut. Ik denk, niet voor het eerst: kijk, moeder, je had ongelijk. Mensen lezen nièt van mijn gezicht af dat ik niet deug.
Ook al weet ik al langer dan vandaag dat ik wèl deug, dat er wel degelijk mensen zijn die mij mogen, mij graag zien zelfs, toch blijft dat verleden opspelen. Gelukkig steeds minder vaak.
Een ouder echtpaar passeert me, knikkend, en dan hoor ik achter mijn rug de vrouw tegen haar man: zeg maar, is dat niet? En dan: mevrouw? mevrouw?
Ik draai me om en herken dan pas de ouders van een klasgenootje uit mijn lagere schooltijd. Het meisje met de decadente verjaardagsfeestjes, waar ik niet wist wat eerst te eten: chips, chocolade, taart, nootjes, ijs, pannenkoeken. De hele duur van het feest stond de woonkamer vol met lekkers. ‘s Avonds had ik buikpijn.
Ze hadden hun slaapkamers op de benedenverdieping, ondergronds. Dat vond ik zo raar. En bij het schoolzwemmen was hun dochter de enige met een badmuts met grote en kleurrijke bloemen erop vastgekleefd. Ze droeg die muts met overtuiging en daar keek ik naar op. Maar haar naam droeg ze met schaamte, omdat het ook een jongensnaam was, en het onderscheid in geslacht alleen duidelijk werd in de geschreven vorm. Ze verplichtte iedereen om de eind-e uit te spreken, maar dat deed niemand.
Ze zijn klein geworden, deze twee. Of ik groot. Het doet me goed even met hen te praten. En dat ze me herkenden. Ze stellen vragen waarop ik het antwoord moet verzinnen.