Selecteer een pagina

Op de straat ligt een tweedimensionale eekhoorn. Alleen zijn staart lijkt nog te leven, zachtjes in een bries. Ik zoef hem voorbij en probeer niet naar ingewanden te kijken.
Met twee vriendinnen fiets ik onder een aangename zon naar een grote tuin waar we onder reusachtige platanen kunnen eten. Zelden was het weer zo perfect.
Aan de ingang laten we onze gegevens en eventuele virussen achter. Met een lichtblauwe lap voor onze mond, stappen we de tuin in, kiezen een tafel uit, bestellen mojito’s.
We vertellen over de kinderen die we hebben en de kinderen die we niet hebben. Een vriendin zucht: hij is bang voor de hele wereld, waarin hij zich wanhopig probeert te verstoppen achter games en wiet, en in zijn bed. Alleen bij nacht steekt hij zijn hoofd onder de dekens uit. Dat hoofd waarin te veel omgaat voor een 21-jarige. Hoe hij als kind al moeilijke vragen stelde over het leven, vragen waar zij als ouders geen antwoorden op hadden. Ik voel mee met de jongen, herken de vragen. Alle lelijke eendjes groeien op bij blinde zwanen.
Ik hoor iemand zeggen: en nu durf ik die site nauwelijks nog openen, want wat als ik ook mijn kìnd dood terugvind op mijn laptop? We drinken van onze mojito’s, ik voel kleine scherven ijs via het rietje mijn mond in stromen. Een vriendin zegt tot drie keer toe dat ik er zo goed uitzie. Ik vraag me af hoelang het geleden is dat ik nog zo’n duidelijk compliment kreeg. ‘Jij ook hoor’, richt ze zich snel tot de andere vriendin.
Bij het doorsnijden van mijn garnaalkroket, moet ik niet aan de eekhoorn denken.

Vanochtend liep ik door de straten van mijn buurt. Vijf minuten rennen, twee minuten stappen. Zo stapte ik met dalende hartslag voorbij een werkhuisje aan de spoorweg. In de deuropening van het huisje bogen drie in gele hesjes gestoken mannen zich over een groot plan op papier. Ze keken alle drie tegelijk op, ik wenste hen goedemorgen. Zes ogen op mij, de monden bleven gesloten. Droom ik? vroeg ik me af. Zozeer dat ik in gedachten terugkeerde om hen te vragen of ze dat nu zelf niet een beetje raar vonden, hun zwijgen. Omdat ik het me oprecht afvroeg. Maar een biepje op mijn pols spoorde me aan weer te beginnen rennen. En toen herinnerde ik me die acht mannen van voor de winter die ik tijdens een wandeling bovenaan de spoorwegtunnel aantrof, ook allemaal in het fluogeel, en die me eveneens zwijgend aanstaarden als was ik een alien, nadat ik hen had begroet. Misschien staat er in het arbeidscontract van spoorwerkers wel dat elk contact met voorbijgangers verboden is. Zoiets zal het zijn.

‘s Avonds laat mijn man me enkele foto’s zien die hij vorige week tijdens onze boswandeling maakte. Een ervan toont een splitsing in de weg en mij in de verte, nadat ik heb beslist. Misschien zag mijn leven er iets anders uit nu, had ik de linkerkant gekozen. Maar ik stap stevig door, vastberaden. Ook al gaat mijn blonde, warrige hoofd op in de ruimte boven de haag, ik weet waar ik naartoe wil. En dadelijk zal ik voeten in looppas horen naderen; hij haalt me hoe dan ook in.