Selecteer een pagina

Maandagavond bezochten we een huis in een doodlopende straat. Er waren krassen in de trap, maar zeer geluiddichte ramen. Op een kast stonden foto’s van donkere kindjes met kroezelhaar. Bovenaan de trap was een hekje. Er was ruimte voor wel twee bibliotheken en in de grootste slaapkamer kon je verdwalen.
De makelaar wist niet veel. Hij stond op een losliggende tegel voor het tuinhuis met zijn smartphone de donkere tuin in te schijnen. Het huis was ruim en mooi, maar dat is het onze ook. Mijn man zei: we zouden ons huis moeten kunnen losknippen.

Daarnet heb ik het over onze oprit hangende onkruid van de ene buurman uitgetrokken, de bal die in de achtertuin lag over de haag van de andere buurman geworpen. Niet eens wetende van welke kant hij gekomen is, maar het kan me niet meer schelen. Ik kan de ballen niet meer tellen. De frisbees. De badmintonshuttles. De ballonnen. De vliegtuigjes. Zelf raken wij nooit iets kwijt. Wij zijn de teruggooiers. En de onderhouders van de gemeenschappelijke muurtjes en hagen. Dankzij ons staan ze er nog. Wat we jarenlang schouderophalend deden, krijgt in de omstandigheden waarin we ons nu bevinden een zekere zwaarte.
Maar ik zal ook missen. De ruime inloopdouche en het bad waar we met twee in kunnen. De blauwe ledlampjes aan de trappen. Het mooie keukeneiland. De parketvloeren. De zolderkamer. De plataan. Het uitzicht. Mijn vriendin aan de overkant. Ook al gaan we niet ver weg, het zal toch anders zijn.