Selecteer een pagina

“Vader en ik wachten. Dit is altijd het moment waarop mijn droefenis zich onomkeerbaar doorzet. De opluchting dat de maaltijd in de witte zaal vol galm en slobberende oudjes en doorgekookte geuren – vandaag gehaktbrood met warme kriekensaus en bloemige aardappelen, het vertrouwde maar immer storende stille schrokken van vader, de standaardafkeuring van moeder over het decennia oude feit dat ik geen vlees eet terwijl ik mijn bezorgdheid over warme kriekensaus als volwaardige groente voor me houd, en als toetje een geribbeld plastic potje kunstmatig op karamelsmaak gebrachte flan – voorbij is, duurt maar tot we de kamer binnenkomen en moeder in het eenpersoonsbed geholpen wordt. Ik veronderstel dat eenpersoonsbedden voor verzorging en onderhoud gemakkelijker zijn, en vader en moeder hebben er nooit bezwaren of ontgoocheling over geuit, maar als ik die twee smalle bedden op meer dan twee armlengtes afstand naast elkaar zie staan, word ik altijd treurig. Ik wil me niet voorstellen dat Norma en ik hier later ook in aparte bedden zouden moeten slapen, dat ik, in een voor de gelegenheid gekochte pyjama, gevangen lig in een bed zonder haar warme, zware armen en borsten en billen, dat ik moet inslapen zonder mijn buik in de holling van haar rug te kunnen passen, zonder haar dunne zilverende haren die ik in het donker nog steeds als het dik vloeiend koper van haar jonge jaren kan zien, op mijn hoofdkussen …
Voor hij de kamer verlaat, halveert de verpleger de dag: met de stijve donkere gordijnen sluit hij de kranige winterzon buiten – finishing touch voor mijn treurnis.
Schuldgevoelig verlang ik naar de dag dat ook vader nood heeft aan een siësta en ik twee uurtjes in relatieve stilte – ik stel me voor dat ik mijn zakdoek spreid, erop ga zitten en alle blaasbalg- en varkensgeluiden van slapende ouders buiten mijn zakdoek houd – kan lezen, me twee uurtjes uit hun wereld kan terugtrekken naar mijn eigen universum – ik stel me het mooie ‘and our faces, my heart, brief as photos’-boekje in mijn rugzak voor in mijn rustende handen – maar vader zit al ongeduldig klapjes te geven op de armleuning van zijn troon, het is tijd voor de audiëntie.
‘En, kan je me vandaag vertellen dat je werk gevonden hebt, jongen?’
Zoals altijd vraag ik me af of dit van vader oprechte bezorgdheid is of getreiter uit woedende teleurstelling in zijn loser van een zoon, lui gevolgd ritueeltje of maandelijks sardonisch pleziertje. Waarom vraag ik hem dat nooit? Het glas rond mijn polsen krimpt.
‘Heb je dan tenminste sollicitatiegesprekken gehad, of zit er nog iets in de pijplijn voor deze week; ze zoeken hier nog een animator voor de dagzaal van de dementen, waarom solliciteer je daar niet op; je kunt toch niet voor de rest van je leven lanterfanten.’
De barstjes tussen mijn schouders zetten uit. Waarom laat ik me hier toch altijd zo door terneerdrukken. Waarom laat ik die man nog steeds over me heen lopen, ik ben godverdomme negenenveertig, waarom zou ik me nog moeten laten veroordelen door deze oude, bekrompen vent.
‘Schaam je je daar dan zelf niet voor, om je te moeten laten onderhouden door een vrouw?’
Het kraakt tussen mijn ribben. Zie hem daar zitten op zijn troon, met zijn handen met de lange bikkelharde nagels die de armleuningen vasthouden alsof hij zit te wachten op een startschot, zijn voeten in dezelfde witte tennissokken als die moeder een huwelijk lang voor hem gekocht heeft – een taak die nu op mij is overgegaan – zijn diarreekleurige polyester broek met twee omslagen om te voorkomen dat hij met zijn lange tenen in zijn eigen pijpen hapert, zijn blauwgebiesde pelargoniumrode debardeur die zijn buik verlicht als een globe, de grootschakelige blikgouden halsketting met anker, kruis en hart, de levervlekkige kale kruin met de zoom van te lang grijs kroeshaar, de rechthoekige goudgetinte bril met daarachter de waterige oogjes met nog steeds die harde staarrand – de dreiging, het onverbiddelijke oordeel, de angst, de verachting …”

 

(Verhalen)