Selecteer een pagina

“Zeven uur ‘s ochtends en Eli laat de hond apporteren. Ik pak de kauwkikker af, leg hem boven op de koelkast. ‘We moeten gaan! Pak je rugzak!’ zeg ik tegen hem. De hond kijkt me behoedzaam aan, haar kop op haar poten. Ik haal ruw een borstel door Eli’s haar. Hij krimpt ineen en rent weg. ‘We moeten gaan! Trek je schoenen aan!’ roep ik. Dan staan we eindelijk buiten.

Mevrouw Kovinski wil iets over de liften vertellen, maar we racen haar voorbij. Tien straten. Ik loop te snel en trek Eli achter me aan. Verkeerd leeftempo, dat weet ik ook wel, maar als hij te laat komt sta ik straks uren in de rij van het kantoortje.

Een laatste sprintje over de speelplaats en we zijn nog net op tijd. Ik ben buiten adem, bezweet, bedroefd. Ik druk een kus op Eli’s hoofd in een poging de haast te compenseren. Waarom heb ik niet meer kinderen genomen, zodat ik meer kansen zou hebben?

Die andere moeders waren zo slim geweest het niet bij eentje te laten. Daar bij het hek staat zo’n groepje. Ze spreken Urdu, denk ik. Een van hen glimlacht naar me en ik zwaai even.”