Selecteer een pagina

“Vandaag reed ik hem naar het strand. We legden onze jassen in het zand en gingen erop liggen. Het was nog net iets te koud om zo te liggen, maar ik wilde niet van houding veranderen. Ik sloot mijn ogen en luisterde naar het geruis van de zee. Mijn broer schraapte zijn keel.
Wat is je grootste droom, vroeg hij.
Ik zei dat ik nog steeds droomde van een leven in New York, samen met Leo in een brownstone aan Prospect Park, met zo’n trap naar de voordeur, en met mijn broer in een brownstone aan de andere kant van het park.
Weet je wel hoe groot dat park is, zei mijn broer. En wat die huizen kosten.
Ik vroeg waarvan hij droomde.
Lange tijd had ik geen dromen, zei hij, want als dromen niet uitkomen, dan zit je ermee.
En nu? vroeg ik.
Nu droom ik ervan te verdwijnen.
Hoe bedoel je, vroeg ik. Zoals papa toen hij vertrok?
Nee, zei hij, echt verdwijnen.
Zoals papa toen hij stierf?
Hij zei: Ik wil niet dood, maar ik wil ook niet leven.
Ik zei: Als je echt verdwijnt kun je ook niet meer terug.”