Selecteer een pagina
“Rond mijn vijftiende begon ik de werking van mijn lichaam te wantrouwen, omdat het zichzelf voor het grootste deel van de tijd, buiten mijn bewustzijn om, autonoom bestuurt. Het wantrouwen stak op in specifieke situaties, bij uitstek tijdens de biologieles die me oplegde om kennis over de werking van het menselijk lichaam te vergaren en me daardoor dwong tot gedachten over de mogelijke disfunctie van het mijne. Evengoed overviel het wantrouwen me in situaties zonder duidelijk kader, bijvoorbeeld als ik in de trein uit het raam zat te staren, op zo’n moment van onoplettendheid kon ik me opeens bewust worden van mijn ademhaling. Die bewustwording ging gepaard met de plotse angst dat ik bewust moest blijven denken aan in- en uitademen, want als ik het vergat, als ik er even mijn aandacht niet bij hield, dan zouden mijn longen evengoed kunnen stoppen met het uitvoeren ervan. Hoe kon ik ervan uitgaan dat mijn longen zomaar ademden? In principe zou ik op elk gegeven moment per ongeluk kunnen stikken.
Daarnaast trad het wantrouwen op met betrekking tot andere lichamen. Legde ik het hoofd op de borst van mijn toenmalig lief, dan plaatste ik mijn oor precies op de plek waar mijn schelp de hele klop van zijn hart opving. Niet om het sentiment ervan, eerder als een stethoscoop. Hij heeft een groot hart, een atletenhart dat veel bloed rondpompt. Als hij klaarkomt, pompt het zo hard, zo hard, dat het dreigt stil te vallen. Soms duurde het een hele nacht voor ik de klop durfde loslaten, voor ik erop vertrouwde dat de klop ook zonder dat iemand hem hoorde, bleef bestaan in zijn lichaam.”