Selecteer een pagina
Ik kom voor het eerst in de nieuwe groepspraktijk waar mijn huisarts sinds kort deel van uitmaakt; het is tijd voor mijn jaarlijkse griepprik. Door een hypermoderne glazen voordeur en sluis en daarna een geruisloze schuifdeur kom ik bij de onthaalbediende terecht. Ze begroet me hartelijk, vraagt of ik mijn identiteitskaart bij me heb. ‘Oeh, die is koud’, lacht ze. Ik zeg dat ik er een nogal lange fietstocht heb opzitten en zij knikt bewonderend, geeft toe dat ze het al koud had in de auto vanmorgen. Dat het nog wel meevalt buiten, smalltalk ik. De zon schijnt. Terwijl ze mijn gegevens glimlachend in haar computer invoert, kijk ik wat rond. Ik heb het gevoel me in een goed beveiligd bankkantoor te bevinden. Alle deuren zijn van dik glas, sommige doorzichtig, andere mat met een groenige schijn. Deurklinken zijn er niet, alles is sober en strak. De muren, het plafond, de gietvloer, allemaal hebben ze mooi bij elkaar passende lichtgrijze tinten. Het doet denken aan een ruimteschip.
Ik mag in een grijs wachtgedeelte met zachte grijze banken plaatsnemen. De andere patiënten zijn een vrouw met een smartphoneverslaving en een in een wetenschappelijk tijdschrift lezende man. Zijn uitbundig krullende haren zijn even grijs als de omgeving. Aan die krullen en de felgroene jas die hij draagt herken ik de fietser die me onderweg inhaalde.
Zelf doe ik niets. Ik lees niet, ik laat mijn telefoon in mijn handtas. Ik heb wachten leren zien als een vorm van meditatie, en observeren als een bron van schrijven. Boven aan de muur, net onder het plafond, hangt een groot scherm. Het toont telkens weer dezelfde reeks van beelden. Welkom in onze nieuwe praktijk – flits – overhandig uw identiteitskaart aan de onthaalmedewerker – flits – een kwartier per afspraak – flits – maak voor meerdere personen meerdere afspraken – flits – bel uw arts bij voorkeur tussen dat en dat uur – flits – gelieve niet te telefoneren voor een voorschrift zodat we u de beste service kunnen verlenen – flits – bezoek onze website voor meer informatie – flits – een groepsfoto van de drie artsen (twee mannen, één vrouw) en twee onthaalbedienden. Ze glimlachen alle mogelijke ziektes en ongemakken weg. Welkom in ons ruimteschip.

Mijn dokter komt mij halen. Hij begroet me met mijn voornaam, schudt zijn warme, geruststellende hand. Hij neemt me mee door een matglazen deur, een lange grijze gang en daarna een grijze praktijkruimte in. ‘Het is de eerste keer dat jij hier komt, hè?’ stelt hij vast. ‘Wat vind je ervan?’ Zijn ogen glunderen alsof mijn mening nooit zijn enthousiasme zal kunnen stukmaken. Ik zeg, naar waarheid, dat ik het erg rustgevend vind allemaal. Hij knikt blij. ‘Ja, hè! Ik voel me helemaal zen hier.’ En zo ziet hij er ook uit. Een bijna andere persoon dan degene die ik een jaar geleden zag, in zijn eenmanspraktijk, en die tot twee keer toe het mij beloofde verslag was vergeten op te stellen. Hij staat op van zijn stoel, zegt: ‘kom nu eens op mijn stoel hier zitten en kijk’. Ik gehoorzaam en moet beamen dat hij een prachtig, rustgevend zicht heeft. Door halfgesloten jaloezieën zie ik een stukje tuin in de voormiddagzon. Door mijn hoofd flitst ‘een kwartier per patiënt’ en omdat ik heel wat te vragen heb, ga ik maar weer op mijn patiëntenstoel zitten. De dokter gaat nog wat door over wat een luxe het is nu twee secretaresses te hebben en niet meer zelf de telefoon te moeten opnemen en zijn aandacht helemaal bij de patiënt die voor hem zit te kunnen houden. ‘Er moest dringend iets gebeuren, ik heb aan de alarmbel getrokken, en kijk nu wat een prachtig resultaat. Maar genoeg over mij, hoe gaat het met jou?’

Na het doktersbezoek fiets ik naar mijn therapieafspraak. Ik blijk de afspraken naadloos op elkaar te hebben afgestemd en voel me tevreden over mijn efficiëntie. De psychologe begeleidt me de krakende afgesleten trap op in het ouderwetse huis, dat zo te zien ooit een gewoon woonhuis was. Over de gehele bovenverdieping ligt grijs linoleum, op sommige plaatsen wat hobbelig. De kamer waarin we plaatsnemen is gezellig ingericht, met zeteltjes met kussens, een salontafeltje, een paar schemerlampen en gordijntjes voor het enige raam, die te smal zijn om helemaal te kunnen sluiten. Aan de muur hangen enkele kleurrijke schilderijen. Een huiselijke kamer, met andere woorden. Huiselijker dan mijn eigen huis, dat strak is ingericht met witte muren en zwarte accenten.
Ze vraagt hoe ik me voel en ik zeg: moe. Ik sliep amper een uur of misschien ietsje meer de voorbije nacht en heb het gevoel dat mijn rug zich niet kan rechthouden zonder zware inspanning. Ik herschik het kussen achter mij. ‘Je mag je afspraak afzeggen onder zulke omstandigheden, hoor’, verzekert ze me. ‘Of na vijf minuten weer vertrekken als je voelt dat dat beter voor je is. Probeer je grenzen te respecteren.’
Ik antwoord dat ik besef dat ik te plichtsbewust ben, en dat ik buiten een papieren agenda en een notitieboekje naast mijn bed, ook nog een agenda in mijn hoofd heb zitten. En dat die me vaak wakker houdt. En dat mijn man me vanmorgen toen hij me in uitputtingstranen aantrof nog zei: zeg je afspraken af, je moet nu niet de fiets op. Maar dat ik me beter voel als ik in beweging blijf dan wanneer ik overdag probeer te slapen, wat toch niet lukt. En dat afgezegde afspraken dan op een andere keer moeten doorgaan, en de angst voor een nieuwe afzegging me zéker uit mijn slaap zal houden. En dat ik krediet wil opbouwen voor wanneer het eens ècht niet gaat. Nee, mijn hoofd is niet altijd mijn beste vriend. Ik kan jaloers worden op een arts die tot twee maal toe iets mag vergeten van zichzelf.
In de gang die toegang geeft tot de vier therapieruimtes op de bovenverdieping wordt een stofzuiger aangezet. Het gezoem klinkt zo luid dat we onze stemmen moeten verheffen. Mijn therapeute verontschuldigt zich, ik wuif het weg, zeg dat ik me daar wel voor kan afsluiten. Ik doe zelden moeilijk.
Het stofzuigen blijft maar duren, belachelijk lang voor zo’n kleine overloop. Vooral de drempel voor onze deur lijkt wel erg stoffig te zijn. En dan klinkt het alsof de stofzuiger ook nog eens òp de deur wordt gezet, al het stof van jaren moet uit de kieren in het hout. De therapeute en ik beginnen een beetje te roepen over mijn drukke hoofd en slapeloosheid.

Wanneer we de kamer na een uur verlaten, is het stofzuigen opgehouden. Door de deuropening van een van de andere praktijkruimtes zie ik een man met een poetsdoek in zijn hand naar me kijken. Hij lijkt op een Pool, maar misschien denk ik dat alle Polen er hetzelfde uitzien. Ik zeg vriendelijk goeiedag, hij zegt niets terug, knikt niet eens. Hij wordt alleen betaald om te poetsen. In mezelf moet ik lachen met wat de therapeute, die nu achter me loopt en alles moet hebben gezien, me een tijd geleden zei, namelijk dat ze ervan overtuigd is dat wanneer ik, stralend als altijd, een kamer binnenkom, mensen dat opmerken en het hen een goed gevoel geeft. Bij het buitengaan neem ik me voor mijn best te doen wat minder plichtsbewust te worden. Ik fiets naar huis zonder bij de apotheek te stoppen. Dat griepvaccinvoorschrift zal ik wel een andere keer inleveren.