Selecteer een pagina

Buiten is het stil, donker, doods. Op het kussen naast mij in bed regent het. ‘Monastery drizzle’ heet de soundscape die speelt. Blijkbaar klinkt regen op een kloosterdak anders dan die op een huis, loods of schapenstal. Hoe dan ook, het getokkel brengt mij tot rust en duwt me opnieuw de slaap in.
Ik slaap rommelig. Droom dat ik een boom ben met wortels tot aan Australië. Mijn kruin kraakt in een storm, danst alle kanten op.

Terwijl ik onder de douche sta, zuigt Maurice in de andere badkamer alle haartjes en pluisjes op. Ik hoor hem zacht brommen, soms piept een wieltje in een bocht.
Ook op mijn hoofd regent het anders dan op een kloosterdak. Ik houd mijn gezicht naar beneden zodat er geen water in mijn ogen komt, kijk naar het schuim dat moeizaam in het smalle gootje verdwijnt. Maurice laat een deuntje horen, hij is klaar met zijn taak.

Een tuin. Indirect licht. Een boom, winterkaal. Ver weg blaft een hond.
De ochtendlucht heeft een kleur van roest, ze bijt in mijn longen. Ik stap door de poort, de straat op, activeer mijn pols.
Ik ren beheerst, het natte asfalt rolt onder me door. De wereld, een loopband zonder uitknop. Achter mij meen ik plofjes te horen, maar wanneer ik over mijn schouder kijk, is daar niemand.
Niet alle lucht heeft dezelfde temperatuur. Ik ben, ik ben, ik ben.

Hier is het zwembad dat er niet meer is. Er ligt nu een grote berg zand, maar daarboven zijn ergens nog het water, de springplank, de gladde tegels met Verboden Te Lopen. En juf Vivianne die dreigt: wie nù niet in het water durft te springen, die dùw ik erin! Knikkende knieën, de geur van chloor, mijn haren verpletterd onder de blauwe rubberen muts. Kneusjes op een hoopje; verderop duiken de anderen uitgelaten in het diepe. Hun kreten galmen.
Ik weet zeker dat ik zal verdrinken in de meter water diep onder mij. En dat juf Vivianne mij niet zal redden.
Ik spring op het moment dat mijn angst voor haar die voor het water overstijgt. Met armen wijd uitgestrekt, de adem ingehouden. Mijn handpalmen ploffen op het water, ik sta. Ik leef.
Op één na, hebben alle kneusjes gesprongen. Juf Vivianne doet alsof we niets bijzonders hebben gedaan. Ze is nog steeds boos, maar het overgebleven kind wordt niet in het water geduwd.
Dit alles hangt hardnekkig boven de berg aarde. Binnenkort komt hier een parking, maar ook dan zullen de kleedhokjes, de zwemplankjes, de chloor, de angst niet verdwijnen.

Op weg naar huis tokkelt de lucht haar roest op mijn kruin.