Selecteer een pagina

Het is een scherpe, zonnige dag. Na weken te hebben doorgebracht in en rond ons huis, stappen mijn man en ik nu in de auto voor een drie kwartier durende rit naar Hasselt, waar we worden verwacht voor de begrafenis van mijn schoonvader. We nemen mee: een ondertekende verklaring van de begrafenisondernemer op de iPad, voor eventuele politiecontroles. Twee paar witte latex handschoenen. Een pakje papieren zakdoekjes waar we makkelijk bij kunnen, maar met het besef dat ze gebruiken een hachelijke zaak zal worden: waar de handschoen is geweest, mag geen oog meer komen. De autoradio slaat ons om de oren met getallen nieuwe besmetten en doden. We laten het gelaten over ons heen komen.

Omdat we tv-beelden gewend zijn van verlaten autowegen, schrikken we een beetje van al die mensen onderweg. Veel vrachtwagens die ervoor zorgen dat de winkels niet leegraken, maar ook redelijk wat personenwagens. We vragen ons af waar iedereen naartoe moet, wat al die essentiële verplaatsingen inhouden. En of die ook allemaal iPads met verklaringen en toestemmingen op de achterbank hebben liggen. Controles komen we niet tegen, Hasselt is dan ook geen kust.
Gaat het met je? vraagt hij. Ik knik. En met jou? Ja, met hem gaat het ook.

Bij het uitvaartcentrum trekken we onze handschoenen aan en zetten we ons schrap. Uit drie wagens stappen drie families. Wij: een gezin van twee; de schoonbroer: een gezin van vier; de weduwe: een gezin van één. Haar rode ogen haken zich in die van ons, vanop meters afstand. Veel dichterbij zullen we vandaag niet komen. Noch de komende tijd.
Een in het zwart geklede vrouw leidt ons zacht en warm het centrum in, opent de deuren van een aula. Daar delen we ons op in drie groepjes op de banken, met meters tussen elke groep in.
Vooraan staat een houten kistje op een tafel, met daarin de urn. Erboven hangt een groot scherm waarop de hele tijd zwarte silhouetten van vogels traag zullen rondvliegen boven golvend water, om af en toe neer te strijken op de zwarte palen die in dat water staan, en daar een tijdlang uit te rusten. Achter de ronde glazen zijwand van de zaal, die beplakt is met een nauwelijks doorschijnend groen zomerbos, zie ik in de verte indrukken van vrachtwagens die voorbijrijden. Daar gaat het leven gewoon door.

Tussen de urn en mij de gebroken rug van een vrouw alleen. Jeff Buckley zingt Hallelujah. Ik kijk naar de vogels. Af en toe snift mijn schoonbroer, hij wrijft met zijn handen over zijn gezicht.
Naast mij houdt mijn man zich onbeweeglijk, zijn lijkkleurige latex handen stil op zijn benen. Ik leg een hand op zijn rug en in mijn troost zit ook een smeekbede: blijven leven, jij.

Wanneer we even later op de begraafplaats achter de begrafenisondernemer aanlopen, kijkt mijn schoonmoeder plots naar links, naar de verre urnenmuur waarin haar moeder sinds een jaar rust, en zegt verontwaardigd: ‘Ze hebben mama’s bloemen weer gestolen, dat is al de vierde keer, wie doet nu toch zoiets?’ Ook wanneer verdriet zijn hoogtepunt al had bereikt, kan er blijkbaar toch nog iets bij.

Nadat we voor een laatste keer afscheid hebben genomen en het afdekplaatje voor wat overblijft van mijn schoonvader werd vastgeschroefd, wordt het even zakelijk en krijgt de weduwe een papier ter ondertekening voorgelegd. Daarbij buigt de begrafenisondernemer zich zo dicht naar haar toe, de hoofden boven het blad, dat wij een beetje in elkaar krimpen. ‘Mochten er nog vragen zijn, mevrouw, aarzel dan niet …’, horen we. En dan geeft ze haar haar balpen, ongehandschoend.
Bij het verlaten van de begraafplaats wordt mijn schoonmoeder voor een tweede keer overspoeld door het verdriet om de gestolen bloemen.

Vanop afstand nemen we afscheid van elkaar. ‘We bellen nog.’ Mijn man gooit zijn bezwete handschoenen op de achterbank van de auto, naast het gedenkkaartje en het attest dat hij meekreeg voor zijn werkgever. Die zullen daar enkele dagen onaangeraakt blijven liggen. In stilte rijden we naar huis.