Selecteer een pagina

We waren terug van een week De Haan, alles was uitgepakt, het huis verlucht, de wasmachine draaide. Ik plofte neer in de zetel en voelde hoe mijn hoofd volliep. Er zat al zoveel in van de voorbije week, en daar kwamen nu nog de prikkels van dat moment bij. Een blaffende hond in een nabije tuin, ruziënde kinderen, een zeurende grasmaaier, een schrille wasmachinetoon die steeds hoger ging, een ijskar met opzwepende deun die al uren hoorbaar was, nu dichtbij, dan wat verder weg. Ik voelde me aangevallen via de open ramen en mijn open hoofd.
Als ik terugdacht aan De Haan, kwam een onbehaaglijk gevoel op. Het was een fijne vakantie, dus ik begreep niet meteen waar dat onbehagen vandaan kwam. Het had iets met de gebouwen daar te maken. Het verval, de verandering, een beetje melancholie.
Ik kom er namelijk al sinds mijn jeugd zowat elke zomer. Eerst een tweetal keer met mijn ouders en broertje, daarna jarenlang met mijn eerste man, dan een keer met een lief, en nu al enkele jaren met mijn huidige man.
Toen ik er vorige week door de straten liep, kwam ik langs een groot, nog amper rechtstaand huis met afbladderende gevels, dat nu al zo lang elk jaar wat grondiger verkommert. Vroeger was er een populaire frituur in gevestigd, er stonden houten tafels en banken die altijd bezet waren. Nu is het klaar voor de sloop, maar zelfs daar lijkt men maar niet toe te komen. Aan de overkant van de straat zag ik het hotel waar ik die keer met het lief en gemengde gevoelens verbleef te koop staan, en wat verderop was men het restaurant aan het afbreken waar mijn huidige man en ik onhandig onze garnalen pelden vòòr we die in de soep gooiden. Het eenvoudige eethuis ernaast, waar mijn eerste man en ik destijds zo vaak onze buiken rond hadden gegeten aan de rood-met-wit-geblokte tafeltjes, is er al lang niet meer; het is nu een frituur met McDonald’s allures. Nog verderop in dezelfde straat, daar waar nog steeds wekelijks een markt plaatsvindt, is het hotel waar ik twee keer met mijn ouders verbleef al jaren geleden door de stadia van leegstand, verkommering, kraakpand, brandstichting, afbraak, een heel dorp nieuwe appartementen gegaan. Sparrenduin, heette het ooit. Ook het hotel waar ik altijd verbleef met mijn eerste man, is niet alleen van naam veranderd, maar zag er ook triestig uit met zijn afschilferende houten ramen.
Pas thuis drong dit hele verval tot mij door; de zwaarte van de gebouwen en van dat wat zich decennialang binnenin heeft afgespeeld. Over nog meer decennia, richting toekomst dan, is het zeewater misschien de verhoogde dijk gepasseerd, en zal het hele dorp alleen nog toegankelijk zijn voor duikers.

Enkele dagen later was ik jarig. Ik was mijn ontbijt aan het klaarmaken toen de deurbel ging. Gehuld in een druipend regenpak stond daar mijn vader, zijn fiets aan het begin van de oprit. Hij wenste me een gelukkige verjaardag, stopte geld in mijn handen, wou in de regen blijven staan. Of we aardbeien wilden, vanochtend geplukt. Hij ging twee dozen uit zijn fietstassen halen.
Dat hij daar zo in de regen stond, in dat grote pak, en speciaal voor mijn verjaardag, mèt versgeplukte aardbeien, helemaal naar mij was gefietst, dat ontroerde me. Hij zag er minder broos uit dan wanneer ik naast hem in de zon in zijn tuin zit.
Hij vroeg of we een fijne vakantie hadden in De Haan, zei: daar zijn wij vroeger ook nog geweest, hè. Ik vertelde hem dat Sparrenduin niet meer bestaat. Ik vraag me af: als hij aan De Haan denkt, denkt hij dan ook aan zijn vrouw, mijn moeder, in bed in de verduisterde kamer in het hotel, de dokter nog wegsluipend door de lange gang?

‘s Middags gingen de drie vriendinnen en ik op restaurant. Er vond een uitwisseling van cadeautjes plaats, want we zijn allemaal in dezelfde periode jarig, en één vriendin had wekenlang in het buitenland verbleven waardoor ik haar nog niet het boek had kunnen geven dat ik voor haar had gekocht. Zelf overhandigde ze ieder van ons een gelijkaardig papieren tasje. Het eerste tasje dat werd opengedaan bevatte twee producten van Rituals, een door ons allen zeer gegeerd merk. Ik vroeg of ik de flesjes mocht bekijken en prees: ‘heel lekkere geur dit’. Toen ik daarna in mijn tasje twee doosjes thee, thee om beter te slapen, vond, zorgde ik ervoor mijn verbazing en daarna teleurstelling goed te verbergen. Ik liet een verheugd ‘Oh, slaapthee!’ horen. ‘Dankjewel!’ Als laatste haalde de derde vriendin een fles wijn uit haar tasje.
De schenkster is iemand die me afgelopen winter op een moeilijk moment trof, murw van het slaaptekort, de tranen nabij, en sindsdien toont ze zich erg bezorgd om mijn slaap. Regelmatig informeert ze of het al beter gaat, ze brengt van de natuurwinkel brochures met middelen ‘om beter te slapen’ voor me mee, gaf me eerder ook al een selectie ‘ontspannende thee’ builtjes en slaaptips. Ze bedoelt het goed en ik ben daar dankbaar voor, ook al weet ze blijkbaar niet dat ik niets, ook geen thee, voor het slapengaan drink, omdat ik dan een halve nacht moet opstaan om te plassen. Maar met dit geschenk kreeg ik plots het gevoel voor haar nog slechts ‘de vriendin met het slaapprobleem’ te zijn, terwijl ik op mijn verjaardag toch graag ook eens nièt daarmee word geconfronteerd. Dat alles ging door me heen terwijl we van onze aperitieven dronken.

De volgende dag had ik een afspraak bij de gynaecoloog voor een routinecontrole. Omdat de gynaecoloog bij wie ik al jaren patiënt ben, door corona een wachtlijst van een half jaar heeft, had ik om iemand anders in de polikliniek gevraagd. Bij haar, een nog jonge vrouw, hoefde ik slechts een maand te wachten voordat ze me kon zien.
Ik was die middag als tweede patiënt aan de beurt, dus dat zou vlot gaan, verwachtte ik. Een verpleegster sloot me op in een piepklein kleedhokje en beloofde dat ze me snel zou komen halen.
Ik maakte de bedenking dat het eigenlijk toch maar raar is, zo’n gynaecologisch onderzoek. Dat het, als je erover nadenkt, niet evident is om je op je intiemst te tonen, lamp erop, aan een wildvreemde. Ik moest aan de aflevering van ‘Friends’ denken waarin Joey Chandler zijn kleermaker, naar wie hij als kind al ging, aanraadt, en later van Chandler verneemt dat het echt nièt normaal is dat een kleermaker aan je intieme delen zit bij het meten. Misschien was ook ik van iets niet op de hoogte bij een bezoek aan de gynaecoloog.
Nadat meer dan een half uur wachten verstreken was, begon ik wat in paniek te raken. Achter de deur naar de praktijk hoorde ik bedrijvigheid, maar het was nooit mijn deur die werd geopend. Omdat ik me wat zorgen maakte over de luchtcirculatie in het kleine, compleet afgesloten hok, besloot ik mijn mondmasker op te houden, maar toen ik besefte dat ik mezelf niet uit dit kamertje kon bevrijden en volledig afhankelijk was van de verpleegster, kreeg ik het toch wat benauwd. Ik dacht: wat moet dat hier zijn voor mensen die lijden aan claustrofobie? Mijn gevangenschap zou nog een minuut kunnen duren, maar evengoed een kwartier, en misschien zelfs nog langer … Mijn verlangen niemand tot last te zijn en niet flauw te doen ging een gevecht aan met een groeiende verontwaardiging. Dit kon toch niet, iemand zo lang aan zijn lot overlaten in zo’n benauwende kast van amper een vierkante meter? Ik besloot zacht op de deur te kloppen. Tè zacht, dacht ik even, maar toen werd ze geopend en de verpleegster vroeg: was u dat die klopte? Ze verontschuldigde zich, er was iets tussengekomen waardoor het veel langer duurde dan voorzien. Ik vroeg of de deur tenminste op een kier mocht; dat was geen probleem. Na nog vijf minuten mocht ik eindelijk bij de dokter.
Het was een lieve, voorzichtige vrouw, die behoedzaam mijn schoot bedekte met een groot stuk wit papier, en de hele tijd vroeg ‘of het ging’. Uiteraard ‘gaat’ zo’n routineonderzoek, dat hoogstens wat vervelend is, net zoals ook de prik bij een vaccinatie ‘gaat’, maar toch vind ik het fijn dat ernaar wordt gevraagd. Als teken van ‘ik zie je’, ‘ik hou rekening met je’. Ze waarschuwde ook: je zal een beetje bloeden nu, maar dat is normaal. Dat wist ik, ik heb immers al vaker deze onderzoeken ondergaan. Ik was er zelfs op voorzien, in mijn handtas in het kleedhok zat een verbandje. Na het uitstrijkje en het borstonderzoek werd er ook nog een echografie gemaakt. Dat was geleden van bij mijn zwangerschap en vond ik dus een beetje raar. Is dit een nieuw onderzoek? vroeg ik. ‘Gewoon een echografie van je eierstokken, die doe ik er standaard bij nu je hier toch ligt’, was het antwoord. Oké dan maar. Als bonus weet ik nu ook dat mijn eierstokken er goed uitzien. Wie had dat gedacht.
Toen ik even later van de behandeltafel klom, zag ik een rode vlek op het papier dat onder me had gelegen. Ik trok mijn rok naar beneden en besloot te blijven staan en niet plaats te nemen op de stoel voor het bureau, waarachter de gynaecologe ging zitten om haar administratie in orde te maken en een paar voorschriften te typen. Ze kreeg de printer niet aan de praat en bleef proberen. De ene foutmelding na de andere liet zich horen. Het werd steeds gênanter hoe ik daar naast mijn stoel stond te wachten met bloed tussen mijn benen, onder de rok waarop ik niet wou gaan zitten. Ik keek dan maar wat de kamer rond, ontdekte op een tafel een pak verbandjes en vond dat de dokter mij er toch een had kunnen aanbieden. Misschien waren ze voor vrouwen die harder bloeden, bedacht ik. Of die er zelf om vroegen. Ooit had ik een gynaecoloog, een vriendelijke oude opa, die na elk onderzoek discreet een verbandje over zijn bureau schoof.
De verpleegster werd erbij gehaald en ook zij wist zich geen raad met de printer. Ondertussen stond ik daar nog steeds, verlangend naar het kleedkamertje en mijn ondergoed, èn het verband in mijn tas. Eindelijk werd beslist dat de voorschriften me via mail zouden worden toegestuurd. Ik kon me gaan aankleden.
Weer werd ik in het hok opgesloten. Ik had me net gefatsoeneerd toen er een kort klopje op de deur klonk. De verpleegster stak een paar bladen naar binnen; het was dan toch gelukt met de printer. En of ik nu nog even kon wachten tot ze de factuur klaar had die ik aan de kassa moest afgeven. Weer gingen er minuten voorbij. Ik stond daar met een rood bevlekt zakdoekje tussen mijn vingers zonder te weten waar ik ermee kon blijven, besloot dat het niet netjes zou zijn om het de verpleegster in de handen te duwen. Toen ik wat later aan de kant van de wachtzaal uit het hok ontsnapte en eindelijk weer kon ademen, struikelde ik bijna over een grote bak waarop ‘restafval’ stond. Ik gooide het bebloede papiertje er opgelucht in en haastte me naar de kassa. Meer dan een uur was ik hier geweest.

Bij buitenkomst ontdekte ik op mijn telefoon, die op stil had gestaan, enkele berichten van de vriendin van de slaapthee. Ze dacht dat ze een flater had begaan met haar cadeau, schreef ze. En of ik ook van Ritualsproducten hield en wat mijn favoriete geur was? Was ik dan toch niet overtuigend genoeg geweest in mijn enthousiasme, vroeg ik me een beetje beschaamd af … Ik verzekerde haar dat ze echt nièt naar de Ritualswinkel moest gaan, en dat de thee goed was.
Maar bij thuiskomst stond er al een Ritualstasje aan de deur, met daarin een fles shampoo. Dat ik veel shampoos niet mag gebruiken, is iets wat deze vriendin nooit te weten zal komen. Gelukkig vertelde de ingrediëntenlijst op deze flacon me dat er ditmaal geen probleem was.

Een gynaecologisch onderzoek mag dan een intieme aangelegenheid zijn, maar toen dit schrijven vannacht een aanvang nam in mijn slapeloze hoofd, twijfelde ik, zoals wel vaker, over hoeveel intimiteit uit mijn hoofd ik wil prijsgeven. Maar ik kon mezelf geruststellen. Dat jullie zo diep in mijn hoofd mogen kijken, lamp erop, is een privilege, maar stelt tegelijkertijd helemaal niets voor.