Selecteer een pagina

Op tv zie ik een Bergamo waar de doden in rijen naast elkaar liggen. Enkele in het zwart geklede en gemondmaskerde mannen staan op de parking van een begraafplaats, allemaal op een afstandje van elkaar, te wachten op hun beurt om een dode in een kuil te laten zakken. De lentezon laat hun jassen blinken. Ik probeer tussen de kisten door te kijken, zie in de verte heuvels onder blauwe lucht en denk: wat is het daar mooi. Een plaats waar ik, onder andere omstandigheden, graag zou wonen.

Terwijl ik deze tekst typ, wuif ik naar de glazenwasser doorheen het raam van onze woonkamer. Hij wuift terug, ik steek mijn duim op ter appreciatie van zijn komst. Hij glimlacht breed, steekt op zijn beurt een duim op en vraagt met zijn gezicht: ben je oké? Ik knik, wijs naar hem, hij knikt ook.
Wellicht zijn we beiden kraakgezond, maar toch slaan we ons praatje vandaag over. Hij zal me deze keer geen foto’s van zijn babyzoon tonen op zijn telefoon, hij zal me niet aan het lachen brengen met een grappig verhaal. Zwijgend laat hij zijn wisser over het glas dansen, ik concentreer me op mijn tekst. In een aangrenzende kamer hoor ik mijn man de hele dag vergaderen met collega’s, allemaal in hun eigen huis. Hij wisselt vlot tussen Nederlands en Frans en lachen, want iedereen heeft deze dagen ademnood. Ik breng hem koffie, zet zijn lasagne in de oven. Tijdens zijn middagpauze maakt hij een wandelingetje door een stille buurt. Zelf neem ik om de paar dagen een ontsmette winkelkar onder mijn ingepakte handen, voor een haastige tocht langs geplunderde rekken. Blikken naar de grond gericht, hier en daar een mondmasker. Tegen een vijand die we niet kunnen zien.

Ik slaap onrustig deze dagen, zoals zovelen. In een droom stond ik aan het graf van een vroegere vriendin, die ik al jaren niet meer zag. Onder de zerk was plaats voor vijf.