Selecteer een pagina

Sinds enkele weken wonen we vrij dicht bij de buurt waar ik opgroeide, en dus besloot ik om nog eens door de straatjes te gaan fietsen waar ik als kind zo vaak kwam. Eens kijken of ik er mijn weg nog terugvond, in welke mate de omgeving me bekend voorkwam, hoeveel er zou zijn veranderd. Zouden er huizen staan waar vroeger weiden waren? Zou de mestgeur er nog hangen? En dat ene huis waar ik als dertienjarige zo gek op was (‘Zo een wil ik er later ook!’), zou ik dat nog weten terug te vinden? Ik wist in elk geval dat ik inmiddels géén fan meer ben van Spaanse villa’s, en vond het grappig maar ook wel geruststellend hoe mensen veranderen.
Ik denk dat ik ze gevonden heb, de Spaanse villa, maar zeker ben ik niet. Op dertig jaar tijd kunnen bomen, struiken, gewassen wel erg hard gegroeid zijn. Om maar te zwijgen over hoe alles groter, ruimer, uitgestrekter lijkt in de ogen van een kind. En er stonden ook veel huizen omheen gebouwd die er destijds niet waren.
Ik dwaalde steeds verder af van het ene straatje in het andere, maar had er alle vertrouwen in dat ik niet verloren zou rijden.

De chauffeurs die ik onderweg tegenkwam op de bochtige weggetjes, staken allemaal vriendelijk hun hand naar me op wanneer we elkaar voorzichtig passeerden. Even waande ik me in het buitenland. En al helemaal toen ik ergens een bocht om kwam en plots een Toscaans ogend landschap van weidse verdorde velden voor me had. Zo ver het oog reikte geen huizen te zien.
Deze plaats herinnerde ik me. En nog verbazingwekkend veel andere plaatsen ook.
Ik stapte af om een paar foto’s te nemen. De zon scheen hard op mijn schouders. Door het stoffige veld kwam een jogger aangelopen, in ontbloot bovenlichaam. Het was een vreemd gezicht. Verder was er niemand te bespeuren, het was er zo stil.

Ik fietste door het bos met de eendenvijver wat verderop; dat zag er tot mijn verbazing nog net hetzelfde uit. Aan het water, waar ooit een van de zusjes waar ik wel eens op paste en waarmee ik veel fietstochtjes maakte haar armband verloor toen ze er brood in wierp, lag nu een jong koppeltje in het gras naast een picknickmand. Het water was bijna even groen als de bomen. Ik fietste verder, onder het donkere loof door. Hier was geen stukje hemel te bespeuren.

Ik liet het bos achter mij en even later reed ik door de straat waar ik ben opgegroeid. De huizen van de vriendinnetjes bij wie ik destijds ging spelen, worden nu bewoond door weduwen.
En daar was dan het huis waar ik zelf woonde van mijn tweede tot mijn drieëntwintigste, ook al lijkt het dubbel zo lang. Wat vroeger een open woning was, bleek nu helemaal ingesloten te zijn door bomen en struiken. Van het huis was nauwelijks nog wat te zien. En een deel van de voortuin was opgeofferd aan een fietspad dat er vroeger niet was.
Nadat ik met mijn vriend was gaan samenwonen, hebben mijn ouders een tweede keer gebouwd, en hun eerste woonst verkocht. Een bordje in de voortuin liet mij weten dat er nu een gedragstherapeut voor honden woont. Een reusachtig beeld van een lelijke hond ernaast bevestigde dat.
Toen ik het huis gepasseerd was, keek ik nog even over mijn schouder naar het raam op de bovenverdieping aan de noordelijke zijkant. Gek genoeg was dat het enige raam dat ik kon zien tussen al het gebladerte. Alsof er een gat was vrijgemaakt voor een zicht op de wereld.
Ooit was daar mijn slaapkamer. Nu was er enkel zwart achter het glas. Ik voelde tot op de straat, onder de felle middagzon, hoe leeg die kamer was.
Of misschien was mijn jonge zelf daar nog ergens, en keek ze naar mij daar buiten in het licht, in stilte vragend om hulp. Ik fietste naar huis met kippenvel.