Selecteer een pagina

Vier keer heb ik nu melatonine genomen voor het slapengaan. De eerste nacht sliep ik best goed (lees: een zestal uren – al dik tevreden mee), de tweede nacht iets minder, de derde werd ik na vier uren slaap wakker, om er dan drie wakker te liggen, en dan opnieuw twee te slapen.
Gisteravond nam ik ook weer een tablet. Ik werd – zoals gebruikelijk – na anderhalf uur slaperig, ging naar bed, zakte heerlijk weg in slaap, maar kreeg toen, zomaar opeens, last van een volle blaas.
Na mijn toiletbezoek was de slaap weg. Het volgende uur ging ik nog twee keer naar het toilet, het uur daarna nog eens, en zo ging het de hele nacht door, tot in de late ochtend. Bij negen ben ik gestopt met tellen. Aantal uren slaap, alles bij elkaar geteld: één? Wat licht gedroom.

Ik heb gehuild van frustratie, zo rond een uur of drie. Moest denken aan de vrouw die me vorige week nog schreef, naar aanleiding van een oproepje dat ik op facebook had gepost met de vraag wie ervaring had met Metasleep. Zij vertelde me heel open over haar slaapproblemen, enkele jaren geleden. Hoe ze nacht na nacht wakker lag, en dan overdag in de bus of eender waar telkens kort indutte. Drie jaar lang. En hoe ze op de duur dacht: als ik zo nog verder moet, hoeft het niet meer.
Ook al ben ik zelf nog niet zo ver, ik kan zulke gedachten begrijpen. Soms ben ik zo de wanhoop nabij dat ik denk: geef me een kamer, nu! Geluiddicht, pikdonker, en zonder enige wereld daarbuiten. En laat me dan met rust en slapen. Diep. Zolang ik wil. Zolang ik kan.

Lachen met mezelf, ook met mijn ellende: ik kan dat goed. Of toch op z’n minst: relativeren. Tè goed soms.
Maar nu, in deze slaaparme periode, voel ik dat het me niet meer zo lukt. Ik kan nog lachen, en doe dat nog steeds vaak, maar niet meer met mijn slaapprobleem. Daarvoor is het te ellendig.
Toen onlangs, op de oproep op facebook, iemand (een persoon die ik erg apprecieer overigens) reageerde met de tip: en slaapthee met valeriaan, heb je dat al geprobeerd?, zuchtte ik en antwoordde: ja, maar geen goed idee,
want dan moet ik te vaak opstaan om te gaan plassen.
Daarop reageerde hij met een zich te pletter lachende smiley. Zo’n echte uitlachsmiley.
En dat vond ik niet tof, nee. Ook al kon ik het komische van de situatie wel zien, toch stond ik op een punt voorbij ermee-lachen.
Of beter: ik hing op dat punt. Lamlendig achter mijn laptop, uitgeput, duizelig, op de rand van tranen, typfouten corrigerend in elk hoopje woorden dat uit mijn vingers kwam.
Net zoals de zinnen in het boek dat ik probeerde te lezen ook getransformeerd waren tot hoopjes woorden, die stroef in mijn hoofd per blokje (een blokje per woord) verschenen, en niet meer wilden samenvloeien tot een zin.

Tegen de ochtend aan probeerde ik wat te lezen in ‘Western’ van Delphine Lecompte, maar haar anders zo grappige gedichten waren dat nu niet. Bij elke nieuwe regel was ik de vorige alweer vergeten.
Ik vond het wrang dat ik dat potje yoghurt gisteravond in de koelkast had laten staan, ook al had ik er zin in. Want yoghurt werkt soms vochtafdrijvend als ik dat ‘s avonds eet. Net als roomijs, fruit, komkommer, rauwkost in het algemeen.
Het laatste wat ik gedronken had, was een halve kop thee om zes uur. En dan nog geen slaapthee ook.