Selecteer een pagina

Mijn moeder, die door de telefoon dichterbij klinkt dan ze de laatste zeven jaar deed, vergelijkt de coronacrisis met de Tweede Wereldoorlog, van horen zeggen. Want ze was er toen nog niet. Ze klinkt een beetje verloren in deze vreemde tijd. Ze durft niet meer buiten te komen, zegt ze, buiten af en toe een ritje met de fiets. Mijn vader doet de boodschappen met zijn wegwerphandschoenen (die ze niet wegwerpen) en het door haar genaaide mondmasker over het suikerzieke lijf. Ik zeg voor de zoveelste keer dat hij moet oppassen, dat ik hun boodschappen wil doen, dat ik handschoenen en mondmaskers wil gaan kopen, maar daar wil ze niet van weten. ‘Hij is niet bang.’ Dat het daar niet om gaat, probeer ik nog tegen beter weten in. Ze blijft me maar bedanken voor het telefoontje, het tweede al. Ze zegt dat ze veel vergeet.

Zelf heb ik al zo vaak gedacht: ik wou dat ik vergeten kon. Eternal sunshine of the spotless mind.
Om te kunnen vergeten, schreef ik alles op. Alle tranen, alle liefdeloosheid, alles wat niet had mogen gebeuren, alle drek. En toen dat veilig gesaved was, zag ik dat het niet van mij was, dat ik er niets mee hoefde te maken te hebben. Dat het niet méér was dan een verhaal.
En toen spoelde corona over ons heen met een sterfgeval in zijn kielzog, en pakte ik de telefoon.

In bed neem ik een dik boek in mijn handen, plooi het open bij de bladwijzer iets over de helft. Het lijkt alsof ik erin ga lezen. Maar mijn ogen sluiten zich en ik denk na over de dood. Over waar ik heenga van zodra mijn (haha) lichaam ermee stopt. En waar ik dan nu, nog in leven, eigenlijk ben, als ik dan toch niet afhang van dat lijf. Als dat lijf het opgeeft zonder mij. Rot, uiteenvalt. Wat is het dat mij samenhoudt?
Ik voel het boek in mijn handen, of zijn het de handen rond het boek? Voelt het boek de handen niet even duidelijk? Wat is het dat in de harde kaft knijpt om het boek niet te laten vallen? Ik moet denken aan de meditatieoefening waarin werd aangeraden om het het voorwerp te laten zijn dat de handen voelt. Of de wang die de vingers streelt.
Ik sluit het boek en knip het licht en de dag uit.

Iemand vraagt me hoe het met me gaat, en ik zeg goed. Heel goed zelfs. Ik voel me de laatste tijd zo goed, dat ik me soms een beetje schaam om daarvoor uit te komen. Geluk is niet interessant; het jaagt mensen weg. Ze denken ook dat je hen nooit nog zal nodig hebben.
Het is een geluk dat zo stabiel is, dat het ook ruimte biedt aan flarden ongeluk, ergernis, of een traan hier en daar. Het is een geluk dat me niet verhindert vanbinnen te huilen op moederdag, elk jaar weer. En het is broos, maar net daarom zo waardevol. Het zou weleens zomaar ineens kunnen ophouden. Want zo gaat dat in het leven.
Net zoals de vriendin die me soms zegt: ‘je bent sterker dan je denkt’, terwijl ik dan denk: ik zie mezelf als sterk, hoor, maar jij denkt daar blijkbaar anders over (en dat is oké – misschien is de zwakte die je ziet een troost voor die van jou), zullen er ook mensen zijn die denken: ‘je bent ongelukkig, want ik ken je verhalen’. Maar verhalen vertellen is niet hetzelfde als ze geloven.

Ik lig in child’s pose en uit de radio naast mij komt Bowie’s ‘Ashes to Ashes’. Meteen word ik teruggeworpen in mijn tienjarige zelf, herinner me hoe betoverd mijn broertje en ik waren door die gekke Major Tom met zijn boodschap ‘I’m h appy, hope you’re happy too’. Ook al lachte er in de clip niemand bij die woorden. Terwijl mijn moeder wellicht toen al vanop de achtergrond vreesde voor de toekomst van haar kinderen.