Selecteer een pagina

Onlangs schreef ik hier over een onopvallend, huidkleurig dingetje op mijn wang waarover de dermatoloog oordeelde: kwaadaardig, 100 % zeker! Vandaag zou dat worden verwijderd en naar een labo gestuurd voor verder onderzoek. Zover is het echter niet gekomen.
Mijn huisarts keek ernaar en zei: huh? dit? kwaadaardig? dan ben ik gevaarlijk bezig, want ik heb al veel patiënten gerustgesteld en weggestuurd met iets dergelijks. Hij gaf me naam en adres van een dermatoloog bij wie ik meteen terecht zou kunnen voor een tweede opinie.
Dat is inmiddels gebeurd, en die man zei al van de overkant van zijn bureau: helemaal niet kwaadaardig. Hij zette een dermatoscoop op mijn wang, iets wat zijn collega niet eens had gedaan, zo zeker was hij van zijn zaak, en herhaalde: niets om je ongerust over te maken. ‘Een tache de beauté’, overdreef hij zelfs met een glimlachje. Van wie die eerste opinie kwam, vroeg hij. Toen ik een naam noemde, rolde hij met zijn ogen en mompelde iets, keerde zich vervolgens snel van me af om vragen te voorkomen, zo leek het. Dat was dan alweer 42 euro. Thuis belde ik de ingreep af.

Nog maar net bekomen, belandde ik die namiddag bij de huisarts om een onrustwekkend resultaat van een routinebloedonderzoek te bespreken. Alles was perfect, mijn bloed en organen gedroegen zich voorbeeldig, op één ding na. ‘Nog tien jaar’, schatte de dokter. Mijn hart is aan zijn laatste decennium bezig. Ik voelde hoe mijn pas goedgekeurde wang zich razendsnel vulde met mijn verraderlijke bloed. Als na een slag in het gezicht. Hoewel ik niet naar mijn man, die naast me zat, keek, zag ik toch vanuit een ooghoek hoe zijn ongeruste blik zich op mij richtte. Ik durfde hem niet aan te kijken, voelde zijn ogen heen en weer gaan tussen de dokter en mij.
De dokter wou – levenslang – gif voorschrijven, ik ging in discussie, vocht nu al voor mijn leven. Ik haalde enkele dingen aan die ik sinds zijn verontrustende telefoontje had gelezen, en die zijn behandeling in twijfel trokken, ze regelrecht afraadden, ze zelfs bestempelden als ‘levensgevaarlijk’. En ondertussen zou ook nog eens mijn levenskwaliteit afnemen door de talrijke bijwerkingen. Dat het medicament duur is en niet wordt terugbetaald, was nog het minste van mijn zorgen.
De dokter werd kwaad, niet op mij maar op de specialisten en onderzoekers die dat beweerden. ‘Wat zit ik hier dan nog te doen?’ riep hij, zich achterovergooiend in zijn stoel. De stoel waarop ik een maand geleden nog had mogen genieten van het rustgevende uitzicht. ‘Die mensen moesten ze opsluiten!’ Ik klapte dicht, wat ik wel vaker doe in situaties die me moe maken of waarin ik me niet begrepen voel. Ik durfde niet te zeggen: dat zeggen die specialisten ook over jou. Ik was ongerust, innerlijk overstuur, had geen zin in boosheid, ook al was die dan niet op mij gericht en besefte ik wel dat de dokter het beste met me voorhad en mij per se wou overtuigen. Mijn man schoot te hulp. Suste de dokter, zei dat we alleen maar aanhaalden, hem voorlegden, wat we hadden gelezen, niet wat we daarom geloofden. Omdat we tenslotte leken zijn. De dokter kalmeerde, ik gaf braaf toe zijn gif te zullen proberen, maar deed dat vooral om ervan af te zijn. Ik hoorde mijn man vragen: maar stel dat ze zo ziek wordt van de medicatie dat ze zou beslissen ermee te stoppen, gaan we dan terug naar de huidige toestand, of wordt het dan nog maar erger? De huidige toestand, knikte de dokter. Een geruststelling die er eigenlijk geen is. We verlieten de praktijk in stilte, het voorschrift in mijn handtas. Ervan uitgaande dat ik er niet mee naar de apotheek zou gaan.

We kwamen thuis, ik huilde een kwartier en trok toen mijn wandelschoenen aan. Onder het stevige tempo waarmee ik door de buurtstraten stapte, kwam plots boosheid naar boven. Ik werd boos op een lichaam waar ik zo goed voor zorgde, elke dag, maar dat me desondanks in de steek liet. Ik keek naar de boosheid tot ze niet meer van mij was en oploste. ‘s Avonds ging ik naar de yogales zoals elke maandagavond, en lachte met mijn yogavriendinnen.

Die nacht dacht ik aan de elkaar tegensprekende dermatologen en aan de elkaar tegensprekende huisartsen en hartchirurgen. Ik dacht terug aan die keer dat ik foto’s van mijn lever moest laten nemen omdat daar iets ernstigs mee aan de hand zou zijn (alles bleek in orde). En aan die keer dat de psychiater ervan overtuigd was dat ik lupus had, en mij een vreselijk ziektebeeld schetste en ik allerlei tests moest ondergaan (van lupus geen sprake). En aan die keer dat een arts me zulke straffe antibiotica had laten innemen voor een simpele keelontsteking, dat ik nog een tijdlang door een andere arts lichtere antibiotica en uiteindelijk zelfs penicilline kreeg voorgeschreven om te proberen de schade te herstellen. En aan die keer toen een huisarts ervan overtuigd was dat ik zwanger was van een tweeling ‘omdat alles daarop wees’, maar ik enkele weken later bij de gynaecoloog te horen kreeg dat ik maar één kind verwachtte. En aan die keer dat een specialist ervan overtuigd was dat ik de ziekte van Menière had maar na allerlei enge tests bleek dat dat niet zo was, en ik alleen maar duizelig werd van bepaalde dingen omdat mijn hersenen mijn ogen niet goed konden bijbenen. En aan die neus-, keel- en oorspecialist die vond dat ik buisjes in mijn oren nodig had, terwijl zijn collega dat ten stelligste afraadde.
Ik wist dat ik alleen zou staan in mijn beslissing, wat die ook zou zijn. Omdat het mijn lichaam is, mijn hart, mìjn leven.