Selecteer een pagina

“Nee, ik denk niet dat wij Holbeins ooit een normale familie waren. Al geloof ik ook niet dat we zo buitengewoon uitzonderlijk waren. Er was chaos en verwarring; een zekere ontwrichting en verstoring van ons en onze geschiedenissen, een gespletenheid in wie we waren.
Toen ik mijn moeder Anna Alida op een zekere dag uitnodigde in mijn flat (ik was toen al volwassen, zelf moeder van een dochtertje), om haar mijn vermoedens en aarzelende bevindingen aangaande de bron van mijn (niet oninteressante maar toch tamelijk overweldigende) nachtmerries voor te leggen (vreselijk: schepsels met scharen in plaats van ledematen, een schaap met blikkerende tanden, eindeloze trappen, rauw vlees op de treden): het oude leven met de Minotaurus, stortte ze huilend in.
Ze zat op de grond voor de meterkast (daarin een zak vergeten aardappels met uitlopers waar ik bang voor was), we zaten allebei op de grond, en op haar handen en voeten kroop ze de gang door, zijwaarts, als een krab. In haar fleurige jurk, beige kousen, haar schoenen met een hakje.
Vertel me. What is a girl to do?
Dat was de laatste keer dat Anna Alida mij bezocht. Hierna kwam ze niet meer, ze zei dat ze mijn huis niet kon vinden, dat ze niet kon onthouden om welke van de vier torenflats het ging.”