Selecteer een pagina

“Er moest iets gebeuren. Bartleboom sloot zijn ogen. Hij richtte ze op een plek voor zijn voeten en omkaderde daarmee een zwijgend en roerloos stuk strand. En hij besloot af te wachten. Hij moest niet langer achter die uitputtende schommeling aan rennen. Als Mohammed niet naar de berg komt, enzovoort enzovoort, dacht hij. Vroeg of laat verscheen – binnen de omlijsting van die blik die in zijn verbeelding van een gedenkwaardige wetenschappelijke koelheid was – het volmaakte profiel, omzoomd door schuim, van de golf waarop hij wachtte. En dan zou die golf zich als een prent in zijn hoofd vastzetten. En dan zou hij haar begrijpen. Dat was het plan. Met totale zelfverloochening liet Bartleboom zich in een bewegingloosheid zonder gevoelens zakken, hij veranderde zichzelf bij wijze van spreken in een neutraal en onfeilbaar optisch instrument. Hij haalde bijna geen adem meer. Over de vaste cirkel die zijn blik uitsneed daalde een onwerkelijke stilte, als in een laboratorium. Hij was net een valstrik, onverstoorbaar en geduldig. Hij wachtte op zijn prooi. En de prooi kwam, langzaam aan. Twee damesschoenen. Hoge schoenen, maar wel damesschoenen.
‘U moet Bartleboom zijn.’
Bartleboom had eigenlijk een golf verwacht. Of iets van dien aard. Hij keek op en zag een vrouw gehuld in een elegante paarse mantel.
‘Bartleboom, ja … professor Ismaël Bartleboom.’
‘Bent u iets kwijt?’
Bartleboom realiseerde zich dat hij nog steeds voorovergebogen stond, nog steeds verstijfd in het wetenschappelijke profiel van het optische instrument waarin hij was overgegaan. Hij ging rechtop staan, met alle ongedwongenheid die hij in zich had. Erg weinig.
‘Nee. Ik ben aan het werk.’
‘Aan het werk?’
‘Ja, ik doe … ik doe onderzoek, weet u, onderzoek …’
‘Aha.’
‘Wetenschappelijk onderzoek, bedoel ik …’
‘Wetenschappelijk.’
‘Ja.’
Stilte. De vrouw sloeg haar paarse mantel strak om zich heen.
‘Schelpen, korstmossen, dat soort dingen?’
‘Nee, golven.’
Dat zei hij: golven.
‘Dat wil zeggen … kijk daar eens, tot waar het water komt … het komt het strand op en dan stopt het … kijk, precies dat punt, waar het water stopt … het duurt echt maar een tel, kijk maar, ziet u, bijvoorbeeld daar … ziet u dat het maar één tel duurt, en dan verdwijnt het, maar als iemand erin zou slagen om die tel vast te houden … waarop het water stopt, precies dat punt, die curve … dat is wat ik bestudeer. Waar het water stopt.’
‘Wat valt daar nu aan te bestuderen?’
‘Nou, het is een belangrijk punt … er wordt soms niet zo op gelet, maar als u er goed over nadenkt dan gebeurt daar toch iets buitengewoons, iets … buitengewoons.’
‘Echt waar?’
Bartleboom boog zich een beetje naar de vrouw toe. Het leek alsof hij een geheimpje verklapte toen hij zei
‘Daar eindigt de zee.’
De immense zee, die oceaan van een zee, die oneindig doorstroomt voorbij iedere blik, de enorme almachtige zee – er is een plek waar ze ophoudt, en een moment – de immense zee, een piepklein plekje en een onbeduidend moment. Dat bedoelde Bartleboom.”