Selecteer een pagina

“De gedachte dat de huid een jas is die vervangen wordt, heeft me nooit losgelaten, maar Brouwers zat ernaast toen hij meende pas aan zijn zesde toe te zijn. De huid vervangt zichzelf continu, zodat om de paar maanden een nieuwe is aangemeten. Huidcellen worden aangemaakt in de diepste laag van de epidermis en opwaarts gestuwd. Hoe verder ze van hun geboortegrond verwijderd raken, hoe armzaliger hun aanblik – ze veranderen van vorm, drogen uit, de celkernen verpieteren. Tot ze eindelijk de openlucht bereiken, over elkaar geschoven als dakpannen, verhoornd en feitelijk dood, waarna ze als schilfers worden afgeworpen. Dat wat het hele lichaam omhult, is al gestorven, zoals onze nagels gestorven zijn, en dat deel van onze haren dat zich buiten de haarzakjes bevindt. Het enige levende dat we de wereld tonen zijn onze ogen, de spreekwoordelijke vensters van de ziel. Een mens is niet dood of levend maar dood én levend, stervende tot het sterven volbracht is. Al die tijd dragen we alvast een lijkwade van eigen makelij. Zitten we opgesloten in dode resten.”