Selecteer een pagina

“Ik ging op de passagiersstoel zitten, schoof die zo ver mogelijk naar achteren, klapte hem naar beneden en zat dan half liggend in de stoel met mijn warme jas dicht om me heen getrokken om zo mogelijk even te slapen na de dag die mij gegeven was, door God dan, in dat geval, tot de eerste bussen de helling af kwamen rijden vanaf de vlakte boven waar in het schemerdonker de grote busremise was, en in datzelfde schemerdonker de sportvelden en de margarinefabriek waren. En de bussen reden bijna onzichtbaar en stil naar de bushalte, stopten en deden hun deuren open met een geluid dat ik me later heel goed kon herinneren, een discreet licht en intiem geluid heel dichtbij, een zachte en goed geoliede zucht van de deuren, omdat de bussen nieuw waren, waarschijnlijk, en daarna de slaperige stappen van degenen die op pad moesten, twee treden omhoog en één stap naar de chauffeur toe, helemaal voorin, en hun gedempte stemmen, ieder woord op een laag vlammetje, dat het nagloeien was van het vuur van gisteren, en alles bij elkaar waren het geluiden die zelden werden gehoord door anderen dan mensen zoals ik. Ik kon ze voor me zien, alle auto’s geparkeerd op dit soort plekken, langs wegen en straten, bij bushaltes, in garages en op opritten, met mannen in mijn situatie, half liggend, half zittend in de stoel met hun jas en de auto dicht om zich heen getrokken in een poging een paar uur alleen te slapen, en hoe ze ten slotte als het ware in het holst van de nacht door zachte handen en geruisloze lieren werden opgehaald, bijeengehouden in lange rijen achter elkaar, spatbord tegen spatbord, lak tegen lak, knop tegen knop, gerangschikt naar leeftijd van de man en merk van de auto, bijna wachtend op het heilig oliesel, op het uitwissen, slapend in foetushouding met hun ongeschoren wang tegen hun harde, koude handrug, nog net ademend in het koude donker.”