Selecteer een pagina

Tijdens onze dagelijkse wandeling zijn mijn man en ik op de plaatselijke begraafplaats verzeild geraakt. We stappen langs de leraar, de huisarts, het klasgenootje uit de kleuterklas, het babybroertje van de vriendin, de buren van de grootouders (samen onder één zerk), de andere klasgenote, de hypnotiseur, de vrouw van de leraar, de klasgenoot, de vader van een klasgenoot, zijn moeder, arriveren bij mijn grootouders.
Nog een half jaar, en hun graven zullen worden ‘ontruimd’, dreigt het bordje aan hun voeten. Voor de vermoedelijk laatste keer liggen er verse bloemen (frêle roze) op de robuuste zerken, die zwart in de herfstzon blinken. Ik weet niet van wie de bloemstukken zijn, maar zeg tegen mijn man: ‘Mijn grootmoeder zou dat fijn gevonden hebben, te weten dat er drieëndertig jaar na haar dood nog steeds iemand bloemen op haar graf komt leggen.’ Een beetje triest voeg ik eraan toe: ‘Wanneer ìk dood ben, is iedereen mij na twee jaar vergeten.’ ‘Dat is niet waar’, zegt hij. En even later: ‘Mij ook, hoor.’ Ik wijs hem erop dat hij met die ‘ook’ zichzelf tegenspreekt. Hij zwijgt, we wandelen verder.
Opeens word ik overspoeld door gemis, aan mijn grootmoeder, zoals ik dat in geen jaren nog heb gevoeld. Tegen mijn tranen vechtend zeg ik: ‘Het zou toch mogelijk moeten zijn om je geliefden dertig jaar na hun dood nog eens één keer te kunnen spreken, een halve dag bijvoorbeeld? Gewoon wat bijpraten, en zeggen wat je hen nog wou zeggen maar waartoe je nooit de kans kreeg. Hen laten weten ook dat iemand hen nog steeds bloemen brengt.’ Hij legt zijn hand op mijn arm.
Wanneer we bij de begraven urnen komen, merkt mijn man op: ‘Dat zijn toch wel erg kleìne graven hier. Hoe krijgen ze daar nu een lichaam in?’ Ik leg uit dat op deze plaats van het kerkhof de lijken verticaal de grond in gaan, rechtopstaand worden begraven. ‘Nee, dat is niet waar, hoor. Hier zitten urnen in de grond.’ Daarvan heeft hij blijkbaar nog niet gehoord. Hij kent alleen de urnenmuur. Mijn man is iemand die niet zo met de dood bezig is.
‘Ga je mijn as ook zo ingraven?’ strikvraag ik.
‘Dat weet ik nog niet’, antwoordt hij.
‘Ben je nu alweer vergeten dat ik een boom wil worden? Jij mag kiezen welke soort.’
Hij grinnikt eens; ik weet niet of hij het zal doen.
Gelukkig heb ik iets op papier gezet. Om de zoveel tijd herinner ik hem er nog eens aan waar hij de instructies kan vinden. Links in de tweede lade van het dressoir. ‘Jaja’, zegt hij dan. Op een toon van voor-welke-debiel-hou-jij-mij-zeg. De man die elke week wel eens op zoek moet naar sleutels, portefeuille of telefoon.
We verlaten de begraafplaats en zetten er stevig de pas in. De pauzeknopjes op onze horloges worden uitgedrukt, we vatten onze resterende levens aan.