Selecteer een pagina

Nu we zo vaak in ons nieuwe huis zijn om te schilderen (al meer dan een maand elk (verlengd) weekend en vorige week zelfs elke dag), tollen de twee woonsten waar we verblijven steeds heftiger door mijn hoofd. Soms zit ik aan ons keukeneiland te eten en verwacht ik, wanneer ik mijn hoofd naar links draai, onze toekomstige tuin te zullen zien. Soms heb ik het gevoel met mijn ene been in het ‘oude’ huis te staan, en met het andere in het nieuwe. Geen vaste thuis meer hebben, of me in gedachten toch al een beetje van de oude proberen los te trekken, ontregelt me. Het doet me onze huidige woonst, en ook de buurt, nu al missen.

Noch mijn man, noch ik, verlaten ons huis zonder pijn. We woonden er graag, alle zeven jaren. Hadden het helemaal laten bouwen naar onze smaak, dachten dat het onze laatste halte was. Soms werd ik ‘s nachts wakker om naar het toilet te gaan, en als ik dan door de gang stapte, kwam de gedachte in me op: ‘wie zal hier rondlopen na mijn dood?’ En nu zullen er al veel eerder dan gedacht andere mensen in onze kamers slapen, onze trappen beklimmen, onze voordeur openen, aan ons keukeneiland zitten, dingen uit onze koelkast nemen, kleren in onze dressing hangen.
Mijn hoofd woont hier nog; het kan niet op twee plaatsen tegelijk wonen. Ook al kijken we uit naar ons nieuwe huis, en zijn we dat volop aan het inrichten en het ons meer eigen maken daardoor, het voelt nog niet aan als het onze, we kunnen ons niet voorstellen hoe het wonen daar zal zijn. We kunnen er alleen maar het beste van hopen.