Selecteer een pagina

Mijn moeder belt om te zeggen dat mijn tante gestorven is. Mijn man vraagt of ik haar goed kende. Ik zeg: ik denk niet dat ze mij als kind ooit heeft aangesproken op familiefeesten. Of aangekeken. Ik herinner me hoe ze een keer tegenover mij aan een lange feesttafel zat. Mooi, elegant, sigaret tussen de beringde vingers, een glad pagekapsel zoals ik me dat bij Parisiennes voorstelde.
Toen haar man, mijn moeders broer, een aantal jaren geleden overleed, gingen we zijn lichaam groeten. Toen we het rijtje gezinsleden afliepen om te condoleren, trok mijn neef mij plots tegen zich aan, bedankte me met een verstikte stem. Dat verbaasde mij, want ik had hem niet meer gezien sinds we kinderen waren, en ook toen kenden we elkaar nauwelijks in die grote familie. Zijn omhelzing, zijn zich aan me vastklampen bijna, gaf mij een onverwacht warm gevoel.

Ik moet denken aan die andere neef die mij op jonge leeftijd, toen we met de kinderen aan het spelen waren tijdens een familiebijeenkomst bij een van de tantes thuis, plots ruw vastgreep, tegen een slaapkamermuur kwakte, mijn polsen minutenlang hoog boven mijn hoofd tegen de muur gedrukt hield, en, toen hij mijn gedachten raadde, siste: waag het niet, hè!
Ik waagde niks, behalve een huilbui in het toilet nadat hij me eindelijk had losgelaten. Daar vond zijn oudere zus mij, ze troostte en ging haar broer verklikken bij de volwassenen. Neef kreeg ervan langs van zijn moeder, mijn moeder suste haar zus, zo erg was het allemaal niet. Ik voelde mijn moeders schaamte.
Over het voorval werd nooit meer gepraat, het was niet eens gebeurd.
Beide neven hebben ‘het gemaakt’. De ene is nu wees.
Ooit, tijdens alweer een andere familiebijeenkomst, renden we met alle neven en nichten rondjes rond ons grote huis. Ook al was ik de jongste, ik hield het het langst vol. Drieëndertig toeren.

Tijdens mijn wandelingen passeer ik een huis waar vaak een reusachtige zwarte, wild behaarde hond, of beer, blafgrommend opspringt, me achter de afscheiding van de lange tuin volgt zolang hij kan. Om hem niet nog woester te maken, probeer ik hem te negeren om zo onzichtbaar mogelijk te zijn, maar vanuit mijn ooghoek zie ik zijn kwaaie kop bij elke sprong boven de omheining verschijnen. Ik ben bang dat hij er op een dag overheen springt om mij op te eten, en toch heeft het iets lachwekkends.
Misschien wil hij gewoon met me spelen.

Mijn tante zit aan de overkant en ik kijk naar haar door mijn kinderogen. Ik zie hoe zij mij niet ziet, en dat is normaal, want ik ben een kind.
Tussen haar vingers verdwijnt traag een sigaret. Uit haar mond ontsnappen woorden, rook, leven.
Aan die feesttafel komt maar geen eind.