Selecteer een pagina

Op oudejaarsdag hoor ik, terwijl ik na mijn ochtendwandeling naar de zijdeur van ons huis stap, hoe een mij onbekende man op straat mij beledigt. Hij richt zich tot zijn zoontje, een kind van een jaar of vijf, en spreekt net luid genoeg opdat ik hem zou horen. Hij vertelt zijn zoon wat voor iemand ik ben. Pas bij het openen van de deur, al uit het zicht, dringen zijn woorden tot me door.
Mijn man vraagt of het een fijne wandeling was; verbouwereerd vertel ik hem wat er zonet gebeurde. Meen je dat nu? vraagt hij met grote ogen. Ook al wil ik dat niet, ik begin te huilen.
Ik huil niet om mezelf, want ik weet dat ik niet ben wat de man beweerde, maar om ‘hoe mensen kunnen zijn’. Hoe hun frustratie, hun ongelukkig zijn, eruit moet. En om het kind.
Deze man is maar een fractie van wat ik dagelijks om mij heen zie gebeuren, maar hier zat geen scherm tussen en dat maakt het echter. Dit was geen virtuele persoon, maar een van vlees en bloed.

In de tunnel onder de spoorweg waar ik bijna elke dag doorheen wandel, ligt regelmatig afval. Chipszakken, frisdrankflesjes, piepschuimen verpakkingen van fastfood, een leeggeschud potje kwark. Soms zijn er met de grote stenen die langs de kant in de donkere tunnel liggen, hindernissen gemaakt voor fietsers die na de afdaling de hoek omslaan. Sinds kort staat er aan de ingang een groot bord met daarop een kleurrijke tekst die een beetje naïef vraagt om de openbare weg netjes te houden.
Enkele dagen geleden was met de inhoud van een blauwe PMD-zak die zou worden opgehaald, een spoor getrokken van bij het bord, de halve tunnel door. Blauwe flarden plastic, lege waterflessen, melkflessen, blikjes, platgedrukte yoghurtkartons.
Ook al wil ik dat niet, in mij huilt het. Niet omwille van mezelf, want ik weet dat dit mij niet kan raken, maar om de – vermoedelijk – jongeren, die de lelijkheid in zichzelf alleen maar weten aan te vullen met lelijkheid buiten zichzelf. En die hier niet gelukkiger van worden.

Sinds ik ben gaan zien dat geen enkel verhaal mij kan beschadigen, slaap ik weer. Na jaren. Zomaar van de ene op de andere nacht.
In een wereld vol ongelukkige en ontevreden mensen, durf ik bijna niet te zeggen hoe gelukkig ik ben, elke dag. Ook al is er in de buitenwereld niets veranderd. Er wordt nog steeds op mij gescholden, er ligt nog steeds afval op mijn pad. Soms is er weinig energie, soms is er hoofdpijn, soms is er onenigheid, elke dag is er ongemak.
Aan de kassa in de supermarkt word ik ruw opzijgeduwd door een vrouw met haast; een week later aan diezelfde kassa moet ik wachten op een vrouw die ontzettend treuzelt met inpakken en afrekenen. Ik denk: misschien heeft ze een paniekaanval en wil ze snel naar buiten. Ik denk: misschien kàn ze niet sneller.
Ik mag me ergeren, ik mag huilen, ik mag bang zijn, ik mag kwetsbaar zijn. Want niets raakt aan wie ik onder al die verhalen ben.
En ik ben òòk de belediger, òòk de afvalgooier, òòk de opzijduwer, òòk de treuzelaar.