Selecteer een pagina

Ik loop iemand van lang geleden tegen het virtuele lijf en weet niet goed hoe hem te benaderen.
Omdat tijd een illusie is, een werkmiddel om het leefbaar te houden, is het geen vijftien jaar geleden dat hij van me wegliep, maar moet het nog gebeuren, of gebeurt het nu.
Ik heb nooit geweten waarom hij zich uit mijn leven gomde, maar wat ik zag, was angst. Doodsangst.
Bij het fysieke afscheid omhelsden we elkaar in de gang van zijn huis. Ik zoende hem in de hals en fluisterde iets bij zijn oor, maar herinner me niet meer wat. Het was een teder afscheid.
Bij het schriftelijke afscheid, enkele dagen (weken?) later, riep hij: ‘Niemand zal ooit voor mij zorgen!’ In de betekenis van: dat laat ik niet toe. Daarop heb ik niet meer gereageerd. Zijn woorden overschreeuwden mijn gefluister, en bleven nog lang nagalmen.

Nu ik hem middels een berichtje vraag of hij me nog kent – ik was nooit arrogant genoeg om te denken dat ik een onuitwisbare indruk achterlaat – en hij reageert met een al even kort ‘Ja hoor, Katrin; natuurlijk’, weet ik niet goed hoe het verder moet. Ik heb een hekel aan ‘hoe gaat het met je’-vragen, en hij is ook niet iemand om die vraag aan te stellen, maar bovenal ben ik bang hem weer op de vlucht te doen slaan.

Zelden kwam ik iemand tegen die me méér raakte, maar het is me nog steeds niet duidelijk op welke manier. Er was meteen een vanzelfsprekende intimiteit. En ook al verborgen we ons niet voor elkaar, toch bleef hij een mysterie.
En omdat hij wegliep voor mìj, en niet voor iets wat ik deed, kan het makkelijk opnieuw (of nog steeds) gebeuren. Want ik ben nog steeds mij. Ook al zijn alle cellen van mijn lichaam ondertussen meer dan eens vervangen, en heeft ook mijn psyche een evolutie doorgemaakt.
Ik vraag hem waar hij is, nu. Verduidelijk dat ik dat niet fysiek bedoel. Hij antwoordt: ‘Op een verlaten, eenzame plek. En jij?’ Ik reageer wat uitgebreider, ga ook dieper in op zijn antwoord, stel een paar bijkomende vragen.
En dan blijft het stil. Hij is weer weg. Soms verdraagt eenzaamheid geen aanraking.

(Hoe je koffie in mijn kopje schonk.)
(De komkommersoep die je voor me maakte.)
(Dat je mij even niet meer aankon en vroeg of je een kwartiertje op je bed mocht gaan liggen.)
(Hoe we elkaar voorlazen en je opeens het boek voorzichtig uit mijn handen nam, en toen mijn handen in de jouwe.)
(Dat ik vergeten ben welk boek dat was, maar niet hoe je klonk.)
(Er was een gele fauteuil, een dik touw langs de trap, een kat en een kooi.)
(Het deken dat je rond mijn naaktheid sloeg.)
(Dat je die nacht elke mug in je kamer wou vangen.)
(En mij tegen de ochtend aan op het achterhoofd zoende en toen in een andere kamer ging liggen. Zonder iets te zeggen.)
(Hoe je je handen op mijn schouders legde nadat ik mijn jas had dichtgeknoopt en, een beetje verrast, zei: jij bent echt wel mooi, hè.)

— — —

Ik voel me zo gelukkig de laatste tijd dat ik dat nauwelijks durf te zeggen. Geluk in een zee van frustratie en boosheid roept vijandigheid op, terwijl ik niets liever zou willen dan dat geluk delen.
Ook in mijn leven lopen dingen mis, sommige zelfs grondig. Ook ik ben onderhevig aan verlangen en niet willen, verdriet, boosheid, onrust.
Maar het geluk dat ik ervaar, hangt niet af van omstandigheden. Het is er gewoon, als een vertrouwen dat overal aanwezig is, door alle ongemakken heen. De ongemakken als golfjes aan de oppervlakte. Daaronder een weten wie ik ben.
Het is zoals een vriendin op facebook schreef: ‘Feiten zijn niet goed of slecht uit zichzelf. Ze zijn alleen feiten. Wij zijn het die er betekenis aan geven.’ Dat te beseffen helpt al heel wat.

Toen ik vanochtend na mijn vijfkilometerwandeling warme koffie stond te drinken onder de doorzichtige golfplaten van een fietsenstalling, moest ik denken aan al die vrouwen die me de laatste tijd opbiechten dat ze dood zouden willen zijn. Ik weet dat ze dat niet echt wensen, dat ze eigenlijk willen zeggen: ik ben op. En dat ze denken dat er geen hulp is voor hen.
Wat verderop zag ik mensen het plein oversteken, iedereen op weg naar ergens.
Naast mij stond een gammele, roestige fiets met platte banden en een halve bel, vastgemaakt aan het rek met een stevig, gloednieuw cijferslot. 5118.
Ik ademde vier seconden in en zes seconden uit, en deed toen even helemaal niets meer.