Selecteer een pagina

Tegenover mij zit mijn vriendinnetje van in het eerste leerjaar. Ze kwam toen recht uit Duitsland en een kind had haar ter verwelkoming gezegd: ‘Jij hebt Hitlers ogen!’ Ze had het wicht teruggestoken met haar scherpe ‘a’.
Dat hoorde ik pas tientallen jaren later; de pijn die die woorden haar deden sluimerde nog steeds ergens in haar hoofd.
Het terras waarop we zitten is afgesloten, maar toch zijn wij er op geraakt. De zaakvoerster wees ons de weg en bracht twee grote cappuccino’s en zelfgebakken koekjes, die we niet opeten.
Het is nog vroeg en kil. Niemand buiten ons is geïnteresseerd in terras, ook niet als het zichtbaar open was. Het koude riet van de stoel dringt door mijn dunne broek, maar ik bibber niet.
Ik geef mijn vriendin een evil eye armbandje, ze doet het meteen om. Ook al geloof ik niet in de kracht die eraan wordt toegeschreven, het gaat om het symbool. Het zegt: ik bescherm jou tegen het kwaad.
Ze krijgt ook nog chocolaatjes en mueslibewaardozen, want ze was vorige week jarig. Ik zeg: iets praktisch, iets lekkers en iets frivools. Ik weet niet of ze muesli eet, maar vast wel iets wat te bewaren valt.
We praten over onze nekken en gebroken vrienden en onze krasse moeders die aan yoga doen. Ik zeg haar dat ze rust en tijd voor zichzelf moet nemen, maar niemand luistert daar ooit naar.
Wanneer we na meer dan een uur het terras verlaten (langs de geheime weg), staat het hek nog steeds voor de toegang.

Een tweetal maanden geleden werd ik moe en leerde ik L. kennen. Ook al staan deze twee zaken los van elkaar, toch hebben ze zich in mijn herinnering met elkaar verweven.
L. gaf al snel te kennen dat hij liever echte brieven stuurt dan mailen. Brieven op mooi papier geschreven met een ouderwetse pen en inkt, en verstuurd met oude postzegels die verder niemand meer gebruikt. Of hij mij zulke brieven mocht sturen? Zelf verwachtte hij niets van mij; ik mocht wat hem betreft gewoon antwoorden langs digitale weg.
Zijn brief ging verloren (wellicht omdat ik dat had gevreesd), kwam na veel omzwervingen weer in zijn brievenbus terecht. Hij deed een nieuwe poging, met nog meer bizarre postzegels en ditmaal het juiste huisnummer.
Zelf had ik op internet gezocht naar mooi briefpapier, maar het was me niet gelukt iets te vinden dat niet versierd was met hartjes of beertjes of ballonnen of roze glinsters. Na enkele pogingen op verschillende dagen gaf ik het op.
Ondertussen arriveerde er, in afwachting van de eerste, een tweede brief van L., en kocht hij ook nog eens mijn eerste roman. Die hij onmiddellijk las. Hij hield ervan, liet hij weten, maar dat de personen met initialen werden aangeduid vond hij maar niks. Ik legde hem de noodzaak ervan uit, en dat begreep hij. Die initialen, nu doe ik dat niet meer.
En toen belandde dan eindelijk L.’s eerste brief in de bus.
Mijn vermoeidheid was tezamen met zijn enthousiasme gegroeid, en ik legde de grote envelop ongeopend op een hoek van de tafel. Omdat ik niet meedoe met dingen die niet vanzelf gaan, kon ik de energie hem te lezen niet opbrengen. Daar had L. alle begrip voor, zei hij. En toen gaf hij me zoveel ruimte, stelde me gerust dat hij er nog zou zijn wanneer ik wakker werd, dat ik met een gerust hart de brief meer dan een maand op de hoek van de tafel kon laten liggen.
Een uur geleden heb ik hem geopend en gelezen en de prachtige schets die erbij zat ontdekt.

Ruimte, er is niets wat ik liever krijg van anderen. Het toont: het is me niet om mezelf te doen.
De uit Duitsland afkomstige vriendin doet dat ook, al al die jaren. Zij geeft (mij) nooit op. En verwacht niets terug. Het zijn die mensen die ik koester.