Selecteer een pagina

Kamer 306. Hotel des Familles, De Haan. Het is het jaar 2000 en mijn man en ik verblijven, zoals de laatste jaren elke zomer, een week in dit hotel. Dit jaar zien we er ook uit als een famille, want we hebben onze dochter van nog geen jaar bij ons. Alleen wij weten dat niets is zoals het lijkt, en dat onze famille enkele maanden geleden ontbonden werd. Voor de hoteluitbaters, die ons ondertussen kennen, ons zelfs een geboortecadeautje toestuurden (een paar slofjes van bruin daim, verpakt in een schattig rieten doosje, die nooit zullen worden gedragen), zijn wij een jong, gelukkig gezin. De reis was geboekt voordat de bom viel, en wij denken dat we dit aankunnen. En dat we er toch ook eens uit moeten. Thuis wonen we ook nog steeds met ons drieën samen. Uit noodzaak. Ik vond nog geen woonst die ik kan betalen, en hij kan in ons huis blijven omdat het gedeeltelijk werd gefinancierd door zijn ouders.
Omdat ik de laatste maanden zo van slag ben – er viel vanuit een wolkeloze hemel met een zware klap een echtscheiding op mijn hoofd – ben ik houvast beginnen te zoeken in getallen. Nummerplaten van auto’s op straat, getallen in tijdschriften en op tv en eigenlijk overal, de hotelkamer die ons werd toegewezen. Er komt me een getal voor ogen, waar dan ook, en ik hecht er betekenis aan, zoek er hoop in. Want ik ben verloren en moet ièts vinden om overeind te kunnen blijven. Ik ben een 6, mijn man is een 5. De 4 staat voor stabiliteit, de 7 voor hoop, de 3 voor een nieuw begin, de 9 voor ontbinding. En zo vormt elke cijfercombinatie, in de vorm waarin ze voorkomt of opgeteld, een eigen verhaal. Zo trek ik me op aan een auto die me passeert met nummerplaat 565, of een variant daarop. Ik besef, gelukkig, waar ik mee bezig ben, maar toch kan ik het niet laten. Ik overleef.
Ook al hebben de getallen vandaag allang geen betekenis meer voor me, toch valt nog steeds pagina 306 in elk boek dat ik lees me op. Nooit eerder heb ik iemand hier ook maar iets over verteld.

Het is augustus 2020 en ik sta voor Hotel des Familles, dat al een hele tijd niet meer zo heet en grondig werd gerenoveerd, wellicht ook andere uitbaters heeft. Mijn huidige man en ik huren een huis in deze badplaats; mijn eerste man overleed een maand geleden.
Door een raam op het gelijkvloers zie ik ons aan de ontbijttafel zitten. De drie pistolets, de kuipjes aardbeienconfituur, het glas vers geperst sinaassap, de Earl Grey met citroen. We zijn nog met twee, hebben de rest van ons leven vòòr ons, zullen samen oud worden. Hij lacht liefdevol met mijn verzuchting dat ik me nu al verheug op het ontbijt van morgen. Ik kijk naar buiten en zie hoe kok Dino een lading verse stokbroden uit zijn wagen haalt. Zijn vrouw Katrien is ons net komen vragen of we nog koffie of thee wensen.
Waar Dino met zijn broden stond, sta ik nu, meer dan twintig jaar later. Maar aangezien tijd een illusie is, kijk ik naar mij en probeer ik mezelf duidelijk te maken dat het wel goed komt.

Terwijl ik door de straten van De Haan wandel, denk ik terug aan die periode dat alles misliep, en hoe ik maandenlang werd overspoeld door wanhoop, tot ik geen adem meer had.
Het trouwfeest van zijn vriend, waar we naartoe moesten. Het mooie jonge koppel Erden en Gabriella – hij Turk, zij Hongaarse – die naast ons aan tafel zaten, en ons vroegen hoelang wij samen waren. Hun ongemak, verontschuldigingen, toen hij uitlegde dat er geen samen meer was. En hoe lief ze ons daarna opvingen, het taboe van de tafel werd geveegd en er kon worden gepraat, het contact verdiept waar het onder andere omstandigheden misschien alleen bij smalltalk zou zijn gebleven.
Hij ging een paar keer naar buiten om naar zijn ouders te bellen om te horen hoe het met onze dochter was. (Later bleek dat de telefoontjes niet aan de babysit gericht waren maar aan de minnares.) Ik ging een keer naar buiten om te huilen en voelde me eenzamer dan ooit met het feestgedruis dat door de ramen sijpelde. Gabriella trok me de dansvloer op, ook al stribbelde ik tegen. Haar lange zwarte haren zwiepten onbezorgd in het rond. In de verte zag ik de mannen in een diep gesprek over de feesttafel heen gebogen. Bij het afscheid lieten Erden en zijn vrouw me beloven gauw een keer bij hen op bezoek te komen in Sint-Niklaas.

Dat deed ik enkele weken later. Erden kwam me aan het station halen met de auto en bracht me naar hun huis. Van de drie kleine kinderen die ze hadden was geen spoor, op wat rondslingerend speelgoed na. Hun rijhuis was bescheiden maar ademde rust. Harmonie.
Verder herinner ik me van mijn verblijf daar alleen dat we ons klaarmaakten om uit eten te gaan. Ze moesten op familiebezoek en zouden mijn woonplaats min of meer passeren, dus konden ze me met de wagen naar huis brengen. Maar onderweg zouden we dus ergens gaan eten. Voor Erden leek gastvrijheid eruit te bestaan me uit te nodigen tot het me samen met Gabriella opmaken in de badkamer. Ik mocht alles wat van hen was gebruiken, ook de parfums die op een plank stonden opgesteld. Dat vond ik een beetje raar; ik dacht: misschien een Turkse gewoonte.
In een restaurant aan een groot, met wolken overtrokken meer aten we kaaskroketten. Ook al was dat mijn lievelingsgerecht in die tijd, toch waren het de slechtste kroketten die ik ooit heb gegeten. Ik kreeg ze met moeite binnen, maar durfde er niets van te zeggen. Erden leek me iemand die erg kwetsbaar was in zijn gastvrijheid.
Toen ik hem op weg naar huis vanop de achterbank onzekere instructies gaf over hoe te rijden (ik was nooit eerder in Sint-Niklaas geweest en van daaruit naar mijn woonplaats gereden), voelde ik zijn wrevel groeien, samen met mijn ongemak. Gabriella zat zwijgend naast hem. De kaaskroketten lagen vettig in mijn maag.

Ik moest ook denken aan die keer dat Betty, de nieuwe partner van een goede vriend van mijn (ex)man, vanuit Brussel naar me toekwam om met me te praten. Het was de eerste keer dat ik haar ontmoette.
Terwijl mijn (ex)schoonmoeder op mijn dochter paste, en mijn (ex)man op zijn werk was, gingen Betty en ik theedrinken in de buurt. Ze vertelde met natte ogen over haar eigen scheiding, zei dat ze me begreep. Ze was lief en daadkrachtig, net wat ik nodig had. In een impuls stelde ze me voor, drong ze erop aan, dat ik met haar zou meekomen naar Brussel. Een paar dagen, zolang ik wou, bij haar en haar kinderen logeren, samen met mijn baby. Ik gaf toe. Wat moest ik anders. Zo konden mijn nog steeds samenwonende ex en ik ook even op adem komen.
Ik belde hem op, hij vond het goed. Mijn schoonmoeder zag ons echter niet graag gaan; zij zag ons er wellicht al voorgoed vandoor gaan, zonder ooit haar kleinkind nog terug te zien.
In Brussel kwamen we in een gezellig huis terecht. Hoewel Betty niet veel ouder was dan ik, en tot voor enkele uren zelfs een vreemde, gedroeg ze zich als een warme moeder. Ze kocht lekker eten voor mij en warmde mijn dochters flesjes op in de microgolfoven. Haar drie nog jonge kinderen leken het normaal te vinden dat wij twee daar opeens waren aangestrand, en de vanzelfsprekende huiselijkheid deed me zowel goed als pijn.
Betty bood me de helft van haar tweepersoonsbed aan; mijn dochter kreeg een plaatsje naast mij, in haar wieg op de grond. In het donker zag ik haar met grote ogen liggen rondkijken, stil en tevreden zoals altijd.
Een van de kindjes van Betty was gehandicapt, waardoor het veel aandacht vroeg. Ook ‘s nachts. Bijna elk uur werd er mama geroepen en zonder zuchten stond Betty dan op om te gaan troosten of een glas water te brengen. Ik deed geen oog dicht. Toen ze ‘s ochtends vroeg opstond om de kinderen klaar te maken voor school en opvang, om daarna zelf naar haar werk te vertrekken, zei ze dat ik nog maar wat moest proberen te slapen, en me thuis moest voelen in haar huis, wanneer ik er straks alleen zou zijn met mijn dochter. Mijn bewondering voor deze mooie, energieke jonge vrouw was groot. Ik vroeg me af hoe ze dat deed, als al haar nachten er zo uitzagen. Toen haar vriend haar opbelde, iets wat hij elke ochtend deed – zo zei ze, en ik haar tegen hem hoorde praten, was ik een beetje jaloers, ondanks alles. Ik zag het niet meer gebeuren dat ik ooit opnieuw zo iemand zou hebben. Over enkele maanden werd ik dertig, en al mijn leeftijdgenoten waren getrouwd. En wie zou er ook zitten te wachten op een vrouw met een baby van iemand anders. Mijn kansen waren voorbij.

Augustus 2020. Mijn man en ik wandelen over het strand. De zon schijnt, een briesje speelt met mijn haren. Ik ben blij dat ik leef.
Ik heb allang geen contact meer met Erden en Gabriella, noch met Betty. Sommige relaties lijken maar even te bestaan, totdat de nood voorbij is. Ik vraag me af hoe het met hen gaat. Ze hebben nu allemaal volwassen kinderen. Van het huwelijkspaar op wier feest we Erden en Gabriella leerden kennen, weet ik dat ze gescheiden zijn, vele jaren geleden al.
Ik moet denken aan die ene jogger, toen, in het bos. Toen ik me zò wanhopig voelde, en zò’n behoefte had aan praten met iemand. Liefst een wildvreemde, tegen wie ik mijn verhaal kwijt kon, en die ik daarna niet meer hoefde te zien. Ik ging toen vaak in het bos op een bank zitten, met een boek van Peter Verhelst. Zo erg verlangend naar een toehoorder, naar iemand die even naar me wou luisteren zonder oordeel, dat er op een zondagvoormiddag plots een man kwam voorbijgelopen en bij de bank waarop ik zat te lezen stopte. Hij zei iets onbenulligs, een smalltalkje, stretchte ondertussen zijn benen op de hoek van de bank. En plots waren we aan het praten over mijn scheiding, en stortte ik al mijn ellende van de voorbije maanden over hem uit. Hij luisterde, keek me aan, luisterde ècht. En toen strekte hij een laatste keer zijn kuiten, bedankte me voor het gesprek en huppelde weg, terug naar zijn gezin, me een beetje beduusd achterlatend omdat ik iets zo hard nodig had gehad dat het ook was gebeurd.
Toen ik twee weken geleden langs die plaats wandelde, ontdekte ik dat het hele stuk bospad, waar ‘mijn’ bank had gestaan, verdwenen was. Ook de bank. Langs weerszijden van het pad waren de bomen gekapt, zo te zien al enige tijd geleden, en wat er nog overbleef van het pad zelf, was aan beide kanten afgesloten door een hek. In dat stuk bos zou niemand nog gered worden.
Er straalde zoveel licht op de grote open plek, dat ik er vrolijk van werd.