Selecteer een pagina

Het was het tweede slaaparme weekend op rij. De buurman, die we anders nooit horen dankzij ons goed geïsoleerde huis, heeft sinds kort een nieuwe partner en zij logeerde de laatste twee weekends bij hem, tesamen met haar twee zoontjes die tegen de tienerleeftijd aanschurken. Die blijkbaar de gewoonte hebben deuren dicht te slaan, en ook erg graag van de ene naar de andere kamer hollen en van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. Bam! Bam! Bam! gaat het de hele dag. En een groot deel van de nacht. Èlke nacht.
Ik, lichte slaper, word dan wakker. En blijf wakker. En wanneer ik na uren eindelijk terug in slaap sukkel, is er wel een volgende klap die mijn hart aan het racen brengt. Een uur ongeveer heb ik nodig om dat hart weer tot bedaren te brengen. En met dat soort lawaai is het ook zo, dat een deel van de spanning voortkomt uit het niet weten wanneer het er weer zal zijn, en hoe lang het zal aanhouden.
Ik ben tijdens de laatste weekends dus weer gezwicht voor mijn slaappillen. Waar ik net met grote moeite vanaf probeerde te komen. Door een zo gelijkmatig mogelijk slaappatroon aan te houden, en ‘s nachts, wanneer ik weer eens uren wakker lag, hard te zijn voor mezelf en er géén te nemen. En dat lukte. Maar nu zie ik me gedwongen ze weer te nemen tijdens de weekends. Om enigszins overeind te blijven en niet nog dieper weg te zakken in de burn-out.
Zo wacht ik elke nacht tot het in het aanpalende huis min of meer stil is geworden, dat kan rond twee uur zijn of drie of vier, en dan pas neem ik een stukje pil. Want met zo’n racend hart werken ze toch niet.
Maar nu dus ook niet meer met een kalm hart. Dus lig ik daar, duizelig van de pil, klaarwakker. En ik zie de uren opschuiven richting ochtend. Soms lig ik stil en murw van uitputting in het donker, soms huil ik wat, soms probeer ik wat te lezen. Vijf maal dezelfde zin, tot ze doordringt.

Vorig weekend hadden mijn man en ik het over ons heen laten gaan. We waren al van de slaapkamer achteraan het huis verhuisd naar die aan de voorzijde, toen de jongens in de achtertuin maar bleven vuurtje stoken in het barbecuestel en roepen, en het inmiddels half één was terwijl wij om half elf al uitgeblust waren na de slapeloze nacht ervoor.
Dit weekend was ik net een beetje bijgeslapen en weer van de slaappillen af, toen het kabaal opnieuw begon. Mijn man zei vrijdagavond: maandag ga ik daar toch eens wat van zeggen, dit kan nu toch niet meer. Eer mijn man iets tegen iemand ‘gaat zeggen’, moet het al ver gekomen zijn. En ja, je buren hou je natuurlijk liefst te vriend.
Maar tegen zaterdagnamiddag waren we zo murw, dat toen de stereo bij de buren op maximum werd gedraaid, zodat onze muren ervan trilden, mijn man van twee verdiepingen hoger naar beneden kwam (hij was daar naar een serie aan het kijken en had de herrie over het geluid van de tv heen gehoord), zijn schoenen aantrok en zei: ik ga er nu naartoe, rustig en beleefd vragen of het wat minder kan.
Na tien minuten was hij terug. Hij had een keer of tien moeten aanbellen voordat de buren de deurbel hoorden, blijkbaar. Ook door hun voordeur heen knalde de muziek naar buiten, ook al was het volume inmiddels al heel wat zachter gedraaid. Voorbijgangers draaiden hun hoofd naar het huis, trokken de wenkbrauwen op.
De buurman nam het niet zo goed op, sprong meteen in de verdediging. ‘Ik mag toch ook in mijn huis zijn’, had hij gezegd. Alsof mijn man iets anders had beweerd of verlangd.
Hij had er vooral de nadruk op gelegd dat het voor ons al heel wat zou betekenen als het ‘s nachts stil was, zodat we konden slapen. En dat we niet boos waren, hem een fijne buurman vonden. Ja, zalven, dat kan mijn man. Beter dan ik.
De muziek hoorden we daarna niet meer, het deurengemep ging de rest van de dag en nacht gewoon door. Dat wisten we dan ook weer.

Gisteren was voor mij, na weer een quasi slapeloze nacht, alweer een dag van in de zetel hangen en me slecht voelen. Alsof mijn hoofd gevuld was met watten en er een flinke griep op komst was. Zelfs lezen vergde te veel concentratie.
In die toestand onderging ik weer maar eens het lawaai. Toen ‘s avonds de voordeur dan eindelijk achter hen dichtknalde, haalden we opgelucht adem.
Hoe uitgeput ik me ook voelde, ook de voorbije nacht lukte slapen niet; het was nochtans muisstil. Ik was helemaal ontregeld. Vooruit, dan toch maar weer een slaappilletje, want ik moest vanochtend naar de les. De les ‘Gezonde grenzen stellen en verleggen’, jawel. Elke maandagvoormiddag leer ik hoe ik mijn grenzen moet bewaken.

Ik schat dat ik tien minuten voordat ik moest opstaan ben ingeslapen. Omdat ik mijn man nog naar beneden heb horen gaan, en hij niet langer dan tien minuten ontbijt, en hij me na zijn ontbijt kwam wekken, zoals afgesproken. Ik voelde me zo slecht dat ik dacht: naar de les, dat gaat me niet lukken. En dat ik dus beter kon blijven liggen, nog wat proberen te slapen. Maar ja, zeg tegen mij dat ik mag slapen, en de slaap kruipt razendsnel weg. Aangezien ik dan toch wakker was, kon ik beter opstaan en naar de les gaan. Ik wou er ook echt geen enkele missen.
Tijdens het ontbijt viel mijn oog op een felroze lapje op het terras. Een restant van het (verbazingwekkend rustige) feestje dat de buren gisteren hadden. De jongens hadden na afloop de ballonnen die in de tuin hingen stukgeprikt, en flarden daarvan waren over de scheidingsmuur gedwarreld. Ja, zoals die roze flodder, zo voelde ik me.

Bij wijze van test, om te zien of ik overeind zou blijven, fietste ik eerst naar de bakker vlakbij. Dat lukte, net. Ook al stond ik mijn pistoletjes te bestellen op trillende benen en met een koortsblos op mijn wangen. Maar wie kwam me even later, toen ik weer op mijn fiets zat, wandelend tegemoet? De buurman. Ik wou hem groeten, zoals welopgevoede volwassenen nu eenmaal doen, maar hij draaide zijn hoofd weg. Verbluft fietste ik hem voorbij. Zo verbluft en ontdaan en verontwaardigd, dat ik even op het punt stond rechtsomkeer te maken en hem te vragen: draai jij je hoofd nu van mij weg? Maar omdat ik me al zo slap voelde en mijn hart weer tekeerging, en ik bang was mijn laatste restje energie aan de confrontatie te moeten besteden, en ook om in deze toestand in huilen uit te barsten, heb ik het maar gelaten. Ik ben traag met rubberen benen naar de les gefietst, toch wel een eindje, en kwam tien minuten te laat.
Nadat ik, me verontschuldigend, de klas was binnengeglipt en me zo stil mogelijk op een bank achteraan had gezet, heb ik nog een half uur tegen mijn tranen zitten vechten. Dat had de leerkracht blijkbaar gezien, want tijdens de pauze vroeg ze of het wel met me ging. Ik heb haar kort alles uitgelegd. Ja, ik had dit weekend wel erg over mijn grenzen laten gaan, maar wat doe je eraan.

Ik was blij dat ik veilig weer thuis geraakte. In mijn zombietoestand voelde ik me niet echt veilig in het verkeer. Tijdens de les was ik ook al opgeschrikt met de gedachte: oei, ik heb toch wel schoenen aan, hè?
Op weg naar huis had ik toch maar een omweggetje gemaakt langs de ruwbouw die mijn man en ik gisteren op een immobiliënsite hadden gevonden. Dat zag er niet slecht uit. Een mooi, vrijstaand huis in een rustige straat.