Selecteer een pagina

Vorige week had ik een afspraak bij een dermatoloog. Een vrouw bij wie ik nog niet eerder was geweest. Ik had de keuze tussen een man en een vrouw, en omdat ik mijn hele lichaam zou laten inspecteren, tot op de fijnste porie, gaf een vrouw mij een toch iets comfortabeler gevoel.
Als gynaecoloog had ik al verscheidene mannen, daarmee heb ik dan weer geen probleem, in tegenstelling tot nogal wat vrouwen die daarvoor de voorkeur geven aan iemand van hetzelfde geslacht. Maar mijn huid zo minutieus laten bestuderen leek me toch intiemer. Een vriendin had me verteld dat haar huidarts haar hele lichaam centimeter na centimeter afgaat, tot zelfs tussen haar hoofdharen toe. Alleen haar slipje mag ze aanhouden.

Niet dat er een probleem was, maar zo vaak hoor ik mensen (ook die vriendin) praten over hun jaarlijkse check-up, het speuren naar plekjes op de huid die weleens verdacht zouden kunnen zijn. En omdat ik zoiets nog nooit had laten doen, en ook nog eens een bleke, gevoelige huid mèt zonnebrandverleden heb, dacht ik een klein half jaar geleden: laat ik dat ook maar eens doen dan. Want zo lang op voorhand diende de afspraak te worden gemaakt, ja. Dermatologen zijn blijkbaar populair. Of misschien geldt dat alleen voor de vrouwelijke dermatoloog die ik had uitgezocht. Nu, het was niet dringend, dus gaf de lange wachttijd niet.

Maandagavond, even vòòr half zes. Het is al donker, er was zopas een regenbui en er beginnen opnieuw steeds meer druppels te vallen. Ik zit op de fiets en ben bijna bij de polikliniek wanneer de regen doorzet. Nog net niet nat spurt ik door de glazen deur naar binnen, en neem een volgnummer aan het onthaal. Wanneer ik aan de beurt ben en de bediende zeg voor wie ik daar ben, snauwt ze: dan moet je niet hier zijn maar in het nieuwe gebouw hierachter. Of ik daarvoor weer naar buiten moet, vraag ik. Ja, snibt ze, ik moet de parking oversteken, naar het àndere gebouw. En ze maakt een wegjaaggebaar met haar arm en drukt op de zoemer voor het volgende nummer.
Wanneer ik door de nu felle regen de parking ben overgestoken in snelwandelpas, ben ik nat. In het nieuwe gebouw zit een meisje achter de balie te telefoneren zonder haast. Ik wacht geduldig, wrijf wat druppels van mijn gezicht en jas.

In de wachtzaal op de eerste verdieping zitten drie personen: twee mannen, een vrouw. Ik zeg ‘goeieavond’, één van de mannen bromt iets terug. Alle drie kijken ze naar het tv-scherm hoog aan de muur. Daar speelt een oude ‘Flikken’. Ik hoor de acteurs elkaar toespreken met onnatuurlijk klinkende ‘jij’s’. De stoelen in de zaal zijn mooi maar zitten slecht. Al na twee minuten voel ik mijn rug en staartbeentje.
De man die mijn groet een beetje beantwoordde, kijkt af en toe naar me, net op het moment dat mijn ogen ook door de zaal dwalen. Het wordt ongemakkelijk. Ik staar dan ook maar naar het scherm, waar nu ‘Buren’ is begonnen. Een stoet perfect gecoiffeerde poppengezichtjes en afgelikte zonnebankkerels trekt voorbij. Hun gezichten schipperen tussen boosheid, verdwazing, onbegrip, ongemak. Of wat daar toch moet voor doorgaan.
Een vrouw komt uit een kamer en een van de mannen in de zaal staat op, gaat samen met haar via de trap naar beneden. Een verpleegster komt de andere man halen, bij de Buren is er ruzie.
Wanneer ik een kwartier later nog alleen in de zaal zit, komt de man die voorzichtig groette weer de behandelkamer uit. Hij roept me vrolijk lachend ‘daaag’ toe, en huppelt de trap af.
Eindelijk ben ik aan de beurt. Ik vermoed dat ik de laatste patiënt van de dag ben. Het hele gebouw is stil. Er zijn alleen de dermatoloog, de verpleegster en ik.
In tegenstelling tot wat mijn vriendin me vertelde, mag ik mijn ondergoed aanhouden. Toch voel ik me naakt. Naakter dan in de publieke sauna eigenlijk. Wellicht omdat de andere twee hun kleren aanhouden.
Ik moet op mijn buik op een tafel gaan liggen. De huidspecialist gaat snel mijn rug en armen na, tilt mijn slipje even van mijn billen, zegt: dat ziet er allemaal prima uit. Ik hoef niet jaarlijks terug te komen, niets in het oog te houden, ik ben ‘safe’. Ze drukt nog even een ijskoud sissende wattenstaaf tegen een saunawratje op mijn voetzool, waarschuwt voor de pijn, maar vraagt niet of het gaat. Zoals de huisarts dat altijd doet bij de jaarlijkse griepinenting, waar dan weer niets van te voelen is.
Maar het gaat. Met mij gaat het immers altijd.

Even later hinkel ik door het lege gebouw (ook de onthaalbalie ligt er verlaten bij) naar buiten, de natte parkeerplaats over. Het is gelukkig opgehouden met regenen. Mijn voet doet venijnig zeer, ik herken de pijn van vroeger, toen ik geen zwembad kon betreden zonder er met wratjes buiten te komen. Toen heb ik talloze behandelingen met vloeibare stikstof ondergaan. Net zoals nu kon ik na zo’n sessie nauwelijks kracht zetten op dat ene fietspedaal. Maar hé, mijn hele verdere lichaam is wèl in orde.