Selecteer een pagina

“Toen ze elkaar net kenden zwommen ze in het IJsselmeer, ze hadden daar een plek gevonden waar niemand anders kwam. Ze aten boterhammen met stroop en appels en dronken water, ze zwommen, hij zei dat zij het grappigste meisje was dat hij ooit had ontmoet, ze rookten nog, shag, want ze waren arm, ze rookten en keken naar de wolken. Binnen drie maanden woonde hij bij haar. Hij was energiek en voelde zich verantwoordelijk, voor haar, voor zijn moeder, voor zijn zusje, voor zijn gezondheid. Hij was nergens radicaal in, hij had een groot gevoel voor rechtvaardigheid, werd geleid door een goed uitgewerkt pakket van regels, van moraliteit, hij wist altijd wat het juiste was om te doen, ze vond dat geweldig aan hem. Ze was verliefd, en daarna hield ze van hem, en ze hadden het goed, de hele tijd, tot ze ineens ontdekte dat het verdwenen was, dat op de plaats waar die liefde zat een reservoir geheime gedachten was gegroeid. Wanneer? Twee jaar geleden misschien, misschien veel langer al. Ze ziet door het raam hoe David het aanrecht schoonmaakt. Een man in een huis, haar echtgenoot. Een individu. Wat doet of denkt hij in de ruimte die niet deelbaar is? Ze is bang dat hij helemaal niets denkt. Dat het in hem een grijze kabbelende zee is. Hij en de kinderen ook trouwens, zijn gewoon tevreden, ze willen niks, ze existeren kritiekloos in de status quo. Ze zet haar fiets in het rek. David is uit de keuken verdwenen. Ze zwaait naar Mirjam, de buurvrouw, die uit het raam kijkt. Wat doet die vrouw minutenlang voor haar eigen deur, zal zij wel denken, vanuit haar eigen huis, een spiegel van hun huis, met ook twee kinderen … als je ver genoeg uitzoomt ziet niemand meer verschil, een straat vol koppels en hun kinderen, dieren met hun jongen, vervangingsgetal bereikt, de menselijke soort kan voortbestaan. Ze legt haar handen om haar borsten, voelt de vorm die Lucas voelde en bekeek.
‘Hoi.’ In de kamer op de bank liggen David en Ally een serie te kijken.
‘Je bent er weer.’
‘Ik ben er weer.’
‘Dat is snel.’
‘Ja.’
‘Alles goed?’
‘Nee.’
‘Nee?’
‘Nee. Niet alles is goed.’
‘Mama.’
‘Ja?’
‘Wat is er?’
‘Niks. Ik vind alles gewoon best veel.’
‘Hoe bedoel je?’ Ally kijkt haar een beetje bang aan en David zucht, overdreven, geërgerd, beschuldigend, kleinzielig, vermoeid, oud, futloos, onaantrekkelijk, boos, verongelijkt, en in haar groeit een giftige pijl die ze met kracht tussen zijn ogen zou willen slingeren.”