Selecteer een pagina

“Dat herinnerde ik me nog van vroeger, hoe gewoon de kweeksters deden over doodgaan. Ze kenden dan ook heel veel mensen die het hun hadden voorgedaan. Ik weet nog goed dat Maria op het veld kwam, nog geen halfuur nadat pastoor Bonte de ogen van haar moeder had gesloten. Stil en bleek rond haar neus, maar ze schreide niet. Curieus gingen we allemaal rond haar staan, ik aan de hand van Johanna, en het enige wat Maria zei, was: Het is gepasseerd, mensen. Ze ligt met haar pekkels omhoog. Elke keer als ik het graf van Maria haar moeder passeerde, moest ik aan die woorden denken en zag ik voor me hoe die kloeke Madame Geneviève met haar benen omhoog onder de aarde lag. De kweeksters gebruikten niet de grote woorden die ze in de kerk graag vuilmaakten aan de overledenen. Geen eeuwigheid, geen hemels. Ze zeiden: Etienne is naar de tettinkfabriek vertrokken. En al bij al was die wormenfabriek voor mij veel aanschouwelijker dan alle beelden waar pastoor Bonte mee stond te zwaaien van voor aan zijn altaar. Mij was nog niemand ontvallen. Iedereen die ik kende, die asemde nog.”