Selecteer een pagina

“Een hele tijd later. Ik zit te wachten op Broucke in Brasserie du Parc. Een oudere vrouw in zwartgrijze fleece en te grote pullover in blauw polyester komt binnen. Ze heeft een fel blauw doekje om haar rosse haar, haar lippen zijn maar half gestift. In haar handen koestert ze een oud jasje van vossenbont. Ze zet haar zonnebril af, en vraagt twee keer aan mij of het zal regenen.
Ik dacht van niet.
Ze heet Jeanne, maar iedereen noemt haar Jeanine. Volgens de Chinese horoscoop is ze een Paard. Dat betekent dat ze loyaal is, loyaal aan de waarheid. Ze stinkt een beetje. Uit het vossenjasje haalt ze speelkaarten. Ik denk even dat ze patience gaat spelen, zoals mijn schoonmoeder vaak doet, maar het zijn tarotkaarten. Met onzekere bewegingen draait ze de beduimelde kaarten om. Ze vraagt raad aan haar kaarten. Ja, ze is alleen. Ze moet voorzichtig zijn, zegt ze me als conclusie. Ze bestelt een Tönissteiner-citroen en een wafel.
‘Roger is al een tijdje dood,’ lispelt ze. ‘Hij heeft hard gewerkt in onze winkel. Mijn tante plaagde hem altijd als hij toekwam met zijn dikke tas. “Precies een dokter,” zei mijn tante dan. Nee, schudde Roger, maar hij verdiende wel zoveel als een dokter.’
Ze bijt in haar bepoederde wafel, ze toont me haar kleine vrouwelijke hand met minstens duizend lijnen erin. ‘Dit wijst op geldzaken,’ fluistert ze en wijst op de muis van haar handpalm. Ze zegt dat ze veel geld heeft. Of zegt ze dat ze veel geld heeft gehad?
Zij bladert verder in haar Paris Match, leest over Franse sterren, labradorhonden en advertenties voor porseleinen poppen. Ze vraagt mijn balpen om iets te onderstrepen, want anders vergeet ze het weer. Ze heeft een vriend gehad, directeur bij de Générale de Banque. ‘Ik leerde hem kennen in de kluizenzaal. We zegden niets, er was alleen die blik. Daarmee was het al gebeurd.’
Een blik kan iemands leven veranderen.
Ze bestelt een nieuwe citroenlimonade. ‘Ik spreek altijd de waarheid als ik de kaarten voor iemand leg. Ik zweer dat op de kist van Roger. Mijn man werkte hard; ik zorgde voor onze hond, een fox anglais. Ken je die?’
‘Zoals Bobby van Kuifje?’
‘Ja, zoals Milou van Tintin. Ik zette mijn geld opzij, ik stak het in de kluis; het geld kwam langs alle kanten binnen via de horlogewinkel, mijn vriend bij de bank en ik legde kaart. Toen men op de bel van het appartementsgebouw drukte, zei ik aan mijn vriend: “Het is mijn man, of een detective.” We hebben niet opengedaan, ik heb nooit geweten wie er belde.’
Ze leeft nu op hotelkamers in Oostende. Ze heeft geld genoeg, maar zou nieuwe kleren moeten kopen. Ze komt er niet toe, zegt ze vermoeid en streelt de hele tijd haar vosje. Ik moet de hele tijd denken aan de raadselachtige Helena Blavatsky.
Ze is nog maar net vertrokken als Broucke binnenkomt, met een krant onder de arm.
‘Zwijg ervan,’ zegt hij.
‘Maar ik zeg toch niets?’
‘Zwijg er toch maar van.'”