Selecteer een pagina

“De dag dat Luut zijn ouders ging vertellen dat zijn huwelijk ten einde was, leek de zomerdijk een muur van staal. Achter die dijk was scheiden geen optie, een huwelijk werd voor de eeuwigheid gesloten en of het tot geluk of ongeluk zou leiden, deed er niet toe. Luuts ouders waren een halve eeuw getrouwd en woonden nog altijd in het huis dat ze op de dag van hun bruiloft betrokken. Het huwelijk voltrok zich volgens plan en een paar jaar later trapte Luut op een rood driewielertje over het tuinpad heen en weer. Voor hem was er geen enkele noodzaak om na te denken over het begrip thuis, er bestond geen elders. Hij was veilig ingemetseld in een opeenstapeling van routines, een mal waarin hij als een blokje klei vormvast kon uitharden tot een mens op wie de dorpelingen konden bouwen.
Luut bleef lang talmen naast de hortensia’s die al vijftig keer hadden gebloeid, hij kromp van man tot jongen. Met zijn hoofd bij voorbaat gebogen en de ogen strak op de grond gericht, sleepte hij zich voort over het tuinpad waarvan hij iedere tegel kende, elk afgesleten hoekje dat tot knikkerputje kon dienen. Zwijgend kauwde hij op zijn woorden, zolang ze nog aan zijn verhemelte kleefden kon hij de formulering overdenken. Het moeilijkste woord moest hij uit de diepte van zijn longen opdelven en toen het eindelijk voorbij zijn strottenhoofd was opgeklommen, had het zo’n lange reis achter de rug dat hij het alleen nog fluisterend uit de schacht kreeg.
Het woord viel als een meteoriet op de vloerbedekking. Het bleef stil, drie paar handen gevouwen op het tafelblad, tussen de handpalmen leek iets kapot te worden gedrukt, wringende duimen en witte knokkels.”